22.1.17

Eva Rovers. Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch. Amsterdam, Prometheus, 2016.

Toen Boudewijn Büch overleed, was ik hem eigenlijk al een beetje uit het oog verloren. Ik heb geen enkel van zijn optredens bij Barend & Van Dorp ooit gezien, maar ook de laatste jaren van De wereld van Boudewijn Büch heb ik gemist, ik las over het algemeen de bladen niet waar hij columns in schreef en nu ik Eva Rovers' biografie lees merk ik dat ik eigenlijk alleen de boeken ken van rond het midden van de jaren tachtig.

De tijd dat ik zelf voor het eerst enorme stapels boeken begon te verslinden.

De laatste jaren kom ik hem weleens tegen. Hij heeft nog steeds een enorme naam onder met name tv-makers als hét voorbeeld van een popularisator van cultuur en van wetenschap, vanwege zijn enthousiamse, vanwege zijn mooie verhalen. Zo moet het eigenlijk, hoor ik die tv-makers zeggen.

Als je dit boek leest, denk je: ja, zo moet het misschien voor de televisie; maar zo moet het misschien niet voor de mens.

Wat vooral opvalt, bij Büch, is hoe oppervlakkig alles was in allerlei opzichten. Ja, het waren briljante, mooie verhalen en hij schreef er ook leuke stukjes over; maar tot een echt nieuw inzicht, of een groot boek kwam het niet. Zelfs, schrijft Rovers, wist hij mensen misschien wel te enthousiasmeren voor, pakweg, Goethe, maar zonder echt uit te leggen wat er zo goed was voor dat werk (en, zou ik willen toevoegen, zonder dat Nederlanders aantoonbaar Goethe zijn gaan lezen).

Dat valt allemaal nog te behapstukken, maar het was ook emotioneel oppervlakkig. Niemand kwam ooit echt dicht bij Boudewijn (de intieme titel Boud is in dat opzicht een beetje misplaatst, al zijn er natuurlijk ook andere betekenissen.) Hij stootte iedereen af die te nabij kwam. Hij verstopte zich, achter een facade van wat Rovers autobiografictie noemt, en uiteindelijk in zijn boekenpaleisje in de grachtengordel.

De tv maakte van Büch precies wat de tv van mensen maakt: een spetterende buitenkant met een onbekende binnenkant. Want zelfs dat verzamelen had uiteindelijk geen duidelijke kern – afgezien van de collectie oude reisboeken was het vooral véél.

Ik ben hem door Boud weer een stuk sympathieker gaan vinden, Büch, een man die uit alle macht iets probeerde, al wist hij zelf vermoedelijk niet wat. De man die grote liefde projecteerde op dodo's, Mick Jagger en Goethe en daar inderdaad heel fascinerend en amusant over wist te vertellen. En die verslaafd raakte aan het medium dat hem aandacht gaf en zorgde voor geld waarmee hij 'spulletjes' kon kopen. Die volgens tv-makers liet zien hoe het hoorde en daar zelf door werd verscheurd.

8.1.17

Camille Paglia. Break, Blow, Burn. New York: Pantheon Books, 2005

Ik heb iets waarover ik nog nooit bij iemand anders heb gelezen: ik kan geen poëzie in vreemde talen lezen.

Ik houd enorm van gedichten, ik kan me uren verstoppen in een dichtbundel, als ik 's nachts niet slapen kan, zeg ik gerust een heel repertoire aan gedichten op voor mezelf. Maar allemaal in het Nederlands.

Ik lees ook heus wel andere talen: kranten, tijdschriften, essays, romans, allemaal met veel genoegen en veel plezier. Wanneer een boek geschreven is in een taal die ik voldoende beheers, ben ik doorgaans snobistisch genoeg om mijn neus op te halen voor het origineel.

Maar gedichten in een andere taal dan het Nederlands? Nee. Zelfs in het Engels niet, wat toch een van mijn sterkere talen. Ik kan heus wel de belangrijkste namen uit de traditie opsommen, en ik kan ook wel de klassiekers uit die traditie herkennen. Maar om nu te zeggen dat ik ooit voor mijn genoegen zo'n dichter ga lezen.

Op mijn oude dag wilde ik daar nog eens wat aan veranderen. Een tijdje geleden hoorde ik een paar lezingen van en interviews met Camille Paglia, en zij lijk me een interessante denker, dus kocht ik deze bundel met essays waarin ze telkens één gedicht bespreekt. Ze doet dat in dit boek ook competent, wat klassieker en in zekere zin braver dan ik had verwacht. Het zijn een soort lesjes in het lezen van gedichten zoals je die aan eerstejaarsstudenten zou kunnen geven.

Het is allemaal heel duidelijk en goed gedaan. Maar ik heb geen lesjes in het lezen van gedichten nodig, ik zou iemand nodig hebben die het Engels bij mij dezelfde emotionele snaren doet aanraken als het Nederlands doet. En zo iemand bestaat niet.

Het heeft er misschien mee te maken dat je een gedicht met je hele inzet leest, met alle associaties die ieder woord, die iedere klank in je losmaakt. De rijkdom aan herinneringen aan hoe dat woord eerder werd gebruikt, aan hoe het nu in het dagelijks leven klinkt, aan hoe het woord zich sinds de dichter gebruikte verder heeft ontwikkeld.

Dat bestaat misschien niet voor andere talen. Waarom hoor je daar dan nooit iemand over? Zou het echt iets zijn van mij alleen?


31.12.16

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles in het verhaal. Het geeft het verhaal van de Parijse middenklasse in deze tijd van angst voor de buitenwereld, van niet weten of je nu aan je loopbaan moet bouwen of kinderen moet krijgen, van alles willen, en niets kunnen krijgen, van niet weten hoe je je kinderen nu eigenlijk moet opvoeden en daarover ruzie krijgen met je eigen ouders.

Maar het is toch vooral perfect als boek, geschreven in een betrekkelijk eenvoudige, maar misschien daardoor enorm meeslepende en beeldende stijl – een stijl die bovendien veel ruimte geeft aan locaties, want dat is wat ik me misschien vooral van Chanson douce zal herinneren: het appartement van Myriam en Paul, de studio van Louise, het park waar zij de kinderen laat spelen. En daarnaast het subtiele psychologische spel tussen alle personen, inclusief echte bijpersonen (de ingewikkelde semi-flirterige, semi-professionele relatie tussen Myriam en haar ex-studiegenoot en huidige baas Pascal, bijvoorbeeld).

Ik heb de afgelopen jaren regelmatig typisch Franse romans gelezen die me vreselijk begonnen te vervelen. Leïla Slimani weet in het genre nieuw leven in te blazen!

29.12.16

Marcus du Sautoy. What we cannot know. Explorations at the Edge of Knowledge. London: 4th Estate, 2016.

Ik heb dit boek in geen enkel jaarlijstje gezien, maar ik geloof dat het 't beste is dat ik dit jaar gelezen heb. Of in ieder geval het beste dat dit jaar geschreven is en dat ik dit jaar gelezen heb.

In dit boek gaat Marcus de Sautoy, de beroemde Britse wiskundige en wetenschapscommunicator – hoogleraar Public Knowledge of Science in Oxford – na wat we, wat de wetenschap, nooit zal kunnen weten. Hoe de chaostheorie inhoudt dat we redelijkerwijs de toekomst nog het verleden ooit precies zullen kennen. Hoe de kwantumtheorie impliceert dat we sommige zaken sowieso niet kunnen voorspellen. Hoe filosofische problemen verhinderen dat we ooit echt in kaart hebben of we een ander bewust kunnen noemen. Hoe Gödel wiskundig bewees dat zelfs de wiskunde niet alles kan bewijzen.

Over een heleboel van die onderwerpen heeft de geïnteresseerde lezer van populaire wetenschap al regelmatig gelezen, maar Du Sautoy legt ze helder en prettig uit. Hij is persoonlijk zonder opdringerig te zijn, hij gebruikt een paar concrete voorbeelden waar dit mogelijk is, maar gaat er niet vanuit dat de lezer door iedere vorm van abstractie onmiddellijk wordt afgestoten. En juist door de grenzen van de kennis langs te gaan, komt een heleboel in een interessant nieuw verband te staan, en krijg je een beter beeld van een en ander. En begrijp je eigenlijk ook beter wat het is om wetenschapper te zijn: niet eens zozeer iemand die alles wil weten, maar iemand die lol heeft in het gaandeweg steeds beter begrijpen.

Er zitten ook wel wat zorgelijke kanten aan het verhaal. Doordat je het hier allemaal bij elkaar staat, wordt ineens duidelijk hoe oud de gepopulariseerde wetenschap inmiddels is. Het verhaal van de wetenschap is nog altijd dat van Einstein en Bohr, van Cantor, van Heisenberg. Het is een verhaal van het begin van de twintigste eeuw, zoals het ook toen ik veertig jaar geleden begon dit soort boeken te lezen vooral een verhaal van die periode was. Er is wat franje bijgekomen – de snarentheorie wordt even genoemd, en natuurlijk de experimentele bevestiging van bijvoorbeeld het bestaan van het Higgs-deeltje; de Stelling van Fermat is bewezen; bovendien is er nu een hoofdstuk over onderzoek naar de menselijke geest, maar die is het meest speculatief en het minst overtuigend. Maar in essentie leven we eigenlijk nog steeds in de nadagen van de grote klap van honderd jaar geleden.

Is de wetenschap inderdaad zo opwindend niet meer? Zijn die grote geesten die de wetenschap in een klap een heel andere draai gaven er nog wel, of voelen zij zich niet meer aangetrokken tot het wetenschappelijk bedrijf? En zou dat een reden zijn waarom sommige kwesties zo moeilijk te doorgronden blijken?

En daar dan tegenover: leven we nu dan juist weer niet in een tijd waarin de wetenschapscommunicatie hoogtijdagen viert? Waarin de ideeën eigenlijk vooral leven in werk zoals dit boek, waarin op een intelligente manier allerlei zaken aan elkaar worden verbonden?

Aan het eind van het boek geeft Du Sautoy als een conclusie dat onkenbaarheid vaak voortkomt uit het feit dat we onmogelijk buiten het systeem kunnen gaan staan. We zullen nooit weten wat zich buiten het observeerbare deel van het universum bevindt. Ons bewustzijn weet niet hoe ons bewustzijn werkt. We kunnen de oneindigheid niet vatten met ons eindige brein. Maar juist in dit soort, wat meer freewheelende werk kun je in ieder geval even buiten al die systemen stappen. Natuurlijk zit je dan uiteindelijk weer in je eigen systeem – maar het geeft wel een gevoel van vrijheid.

28.12.16

Esther Schor. Bridge of words. Esperanto and the Dream of a Universal Language. New York: Metroploitan Books, 2016

Persoonlijk zijn! Je moet als je een breder publiek beoogt met je non-fictie-boek altijd persoonlijk zijn! En dus is Esther Schor, een hoogleraar Engels op Princeton, af en toe persoonlijk, in dit boek over de geschiedenis en het heden van de Esperanto-beweging.

Dat gebeurt dan soms wat mij betreft op niets af. Zo zit er in het boek verwerkt dat ze in de periode dat ze eraan werkte is gescheiden van Leo. Bij een bijeenkomst aan het begin gaat hij nog mee als Schor een Esperanto-bijeenkomst bezoekt, maar tegen het einde verkeert ze in een shock omdat ze dus weg is bij die Leo, of hij bij haar.

Maar wat dat met het Esperanto te maken heeft, blijft volkomen onduidelijk. Je zou misschien kunnen hopen dat ze bijvoorbeeld bij dat laatste bezoek, aan Bona Espero, een al veertig jaar door een idealistisch Italiaans echtpaar gerund internaat voor kansloze Braziliaanse kinderen (waar die kinderen dan ook een beetje Esperanto leren; bona espero betekent 'goede hoop').

En gek genoeg heeft zelfs dat hele bezoek aan Bona espero weinig met Esperanto te maken. Ja, het Italiaanse echtpaar (in de tachtig zijn ze inmiddels) spreekt de taal en leert het aan de kinderen; maar ze geven toe dat het voor die kinderen lang niet het belangrijkste is, met hun ingewikkelde leven. En er werken inmiddels ook mensen die helemaal geen Esperanto spreken. Het ideaal is eigenlijk veel breder en heeft weinig met taal te maken.

Het is een beetje jammer dat Schor daar niet op ingaat. Ze blijft een beetje een buitenstaander in de beweging, en juist door de sympathie die ze heeft, blijft het een beetje een freakshow. Dat het echte mensen zijn, wordt niet zo duidelijk vind ik.

Zo legt ze ook wel op een wat vreemde manier nadruk op het joodse van de Esperanto-beweging. Ik heb er zelf geen enkele twijfel over dat voor Lejzer Zamenhof, de schepper, een deel van het ideaal was: een taal maken voor de joden. Schor legt dat ook heel goed uit. Maar tegelijkertijd behandelt ze de Esperanto-beweging sindsdien wel erg als een soort quasi-joodse beweging, met allerlei symbolen en een sfeer die haar aan haar eigen seculiere jodendom doen denken.

Daar zit wat in, en het is interessant om die parallellen te zien, maar het lijkt me ook maar één laag onder velen – en een laag die niet per se voor veel mensen interessant was, zelfs niet voor Zamenhof. Het is heel wel mogelijk dat sommige dingen hetzelfde zijn omdat de Esperanto-beweging nu eenmaal ook een gemeenschap is die verspreid is over de (Westerse) wereld. En dat sommige symbolen meer algemeen westers zijn.

Ook hier zit Schors drang om alles persoonlijk te maken vooral in de weg. Ze dringt niet echt door in de beweegredenen van de mensen die het de moeite waard vonden om onder het nazisme of onder Stalin toch voor die taal te blijven strijden, en niet in die van de mensen achter bona espero omdat ze teveel bezig is zichzelf erin te herkennen. Bridge of words raakt daarmee uiteindelijk kant noch wal.

23.12.16

Tony Crabbe. Nooit meer druk. Een opgeruimd hoofd in een overvolle wereld. Amsterdam: Luitingh - Santhoff, 2016 (2015).

Ik schrijf dit blog nu al vele jaren – zij het de afgelopen jaren wat minder dan in het begin, omdat ik inmiddels allerlei andere plaatsen heb om over boeken te schrijven –, maar het label zelfhulp had ik nog niet aangemaakt.

Ik ben geen liefhebber van het genre, of beter gezegd: ik lees eigenlijk wel boeken met ongeveer de boodschap die Tony Crabbe heeft in Nooit meer te druk, alleen heet het daarin 'filosofie' of zoiets. De boodschap die hij uitdraagt heet daarin: stoïcisme.

Je moet je niet laten overspoelen. Dat is de boodschap. Het druk hebben is onzin, klagen over het druk hebben is zo mogelijk nog onzinniger. Je bent er uiteindelijk altijd verantwoordelijk voor, en je kunt er ook altijd wat aan doen, namelijk door het heft in eigen handen te nemen, onzin te weigeren en je te concentreren. Dat maakt je gelukkiger en uiteindelijk ook productiever en succesvoller.

Nooit meer te druk lijkt me daarmee een soort zelfhulpboek to end all zelfhulpboeken. Crabbe verwijst ook vooral naar andere zelfhulpboeken en naar psychologisch onderzoek dat daar heel dicht in de buurt zit (en dat naar mijn indruk deels zelfs al achterhaald is in de huidige crisis van de psychologie, waarin allerlei vaststaande resultaten toch niet zo vast blijken te liggen als eerder is gedacht).

Je kunt je afvragen waarom er dan toch weer zo'n boek nodig is. Waarom moet een dergelijke oude, en grotendeels ook met gezond verstand te beredeneren, boodschap toch weer worden uiteengezet? En waarom wordt het resultaat daarvan een succes? Je kunt daar smalend over doen, maar ik heb dit boek weliswaar niet gekocht (het lag ergens, ik las het ook maar eens) maar toch ook wel gelezen, als een fijn oudjaarsboek. Je moet jezelf kennelijk af en toe aan die waarheden herinneren om er aan te kunnen blijven vasthouden, omdat de verslonzing en het je laten meedrijven met de onzin altijd op de loer ligt.

12.11.16

Jolande Withuis. Juliana. Vorstin in een mannenwereld. Amsterdam: De Bezige Bij, 2016.

Het is dat het deze week zo genadeloos uit de hand gelopen is met een presidentsverkiezing elders in de wereld. En het is dat ik al een republikein was. Maar anders was ik het deze week geworden, want ik heb de biografie van Koningin Juliana gelezen die Jolande Withuis onlangs publiceerde.

Het is een heel knap boek, omdat iemand die, puur door de omstandigheden, zo'n bizar leven heeft geleid, en die in bijna alle opzichten heel andere normen en waarden had dan ik, toch zo invoelbaar wordt gemaakt.  Je snapt wat ze zag in de schurk en schuinsmarcheerder Bernhard. Je snapt waarom ze bij hem bleef terwijl hij haar vrijwel doorlopend vernederde. Je snapt waarom ze haar toevlucht nam tot de meest onbegrijpelijke I . En je kunt in zekere zin ook nog mededogen met haar hebben.

Withuis maakt van Juliana een mens, juist door nadrukkelijk te laten zien dat ze verschillende kanten had, die helemaal niet altijd met elkaar in overeenstemming waren.

Terwijl je tegelijkertijd ziet dat zo'n verhaal aantoont dat het idee van de monarchie echt grote problemen heeft. Nog niet eens omdat het mensen opscheept met zo'n raar leven – Withuis maakt vrij duidelijk dat Juliana uiteindelijk toch ook echt koningin wilde zijn. Het is vooral omdat het privé-leven van een familie zo nadrukkelijk verweven raakt met de staat: dat de regering zich regelmatig moet buigen over allerlei kwesties, dat het staatshoofd allerlei meningen heeft over politieke kwesties, en dat ook de familie van dat staatshoofd zich ermee bemoeit.

Het boek geeft tegelijkertijd ook een aardige inkijk in de geschiedenis van de twintigste eeuw: de zeer langzame acceptatie van de werkende vrouw, de manier waarop Nederland met de Tweede Wereldoorlog omging, en met de Koude Oorlog, en het verdwijnen van de adel van het toneel.

Interessant vond ik de methode die Withuis hanteert. Ze had geen toegang tot de archieven van het Koninklijk Huis en heeft bijvoorbeeld ook niet met leden van de koninklijke familie gesproken. Ze had vooral voor de eerste jaren vooral beschikking over de correspondentie die Juliana met vriendinnen heeft gehad. Die bestudeert ze stilistisch en komt dan bijvoorbeeld tot de conclusie dat de toekomstige vorstin een fascinatie had voor de jolige meisjessfeer van Joop ter Heul: de onderlinge vrouwenvriendschap, de neiging tot lichte opstandigheid, het idee dat Juliana had over 'het gewone leven'; dat alles weet Withuis sterk op die manier te analyseren en eigenlijk alleen op basis van enkele stijlkenmerken.

Historici met onvoldoende bronnen worden al snel tot filologen.

6.11.16

Régis Jauffret. Cannibales. Paris: Seuil, 2016.

Hoe het geheugen werkt: toen ik las dat Régis Jauffret genomineerd was voor de Prix Goncourt van dit jaar, dacht ik dat ik toch maar eens een boek van hem moest lezen. Ik kon me vaag herinneren dat ik ooit een boek van hem gelezen had (voordat ik met dit dagboekje begon, dus heel lang geleden) dat me niet zo goed bevallen was. Maar het genomineerde boek, Cannibales, klonk wel aantrekkelijk.

Een vrouw begint een correspondentie met de moeder van haar ex. Ze kende die moeder eerder nauwelijks, en die vrouw is om begrijpelijke redenen ook wat afhoudend, maar na een aantal brieven nodigt ze de jonge vrouw uit. In dat weekeinde ontstaat een heel hechte relatie, die uitmondt in een gezamelijk plan om de man te doden. En de titel van het boek zegt genoeg over de verdere ontwikkeling.

Ja, als kort verhaaltje klinkt het aantrekkelijk, maar het is net of Jauffret het schrijven verder maar als een invuloefening heeft beschouwd. De brieven blinken wat mij betreft niet uit in stijl, in psychologie of in pogingen om het verhaal anderszins enigszins aannemelijk te maken. Het is wat mij vooral een wild verhaal, een waarbij je als lezer kennelijk moet denken: Oeioeioeioei!

Ik las onlangs de campusroman Dear Committee Members, over een docent creatief schrijven. Een van de dingen die me uit dat boek bij zullen blijven zijn de beschrijvingen die de docent geeft van het werk van zijn studenten, vooral de meer talentlozen. Die vullen hun werk voor het effect met moordpartijen, wonderlijke transformaties (een pratende panther) enzovoort. Ik heb het idee dat Régis Jauffret voor Cannibales van die docent ook niet meer dan een B+ zou krijgen.

Het gekke is, toen ik probeerde te ontdekken wat het eerdere boek van Jauffret was dat ik gelezen had, ontdekte ik dat dit Clémence Picot moet zijn geweest, een boek waarin de totale verlatenheid van een vrouw wordt opgeroepen die midden in de stad woont. Van het verhaal weet ik niet veel meer, misschien eindigt het ook wel in blood en gore, maar de uitzichtloosheid van het leven van die Clémence is me bijgebleven, maar heb ik dus niet aan Jauffrets naam geassocieerd. Zodat het mij volkomen onduidelijk is wat ik eigenlijk van het oeuvre van die man vindt.

5.11.16

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op zeker moment een beetje vervelen. Ik had liever wat van de wat raardere, wat dwarsere, en vooral de wat grappigigere kanten van Campert gezien.

Meer dan bij eerdere deeltjes had ik bij Campert Compact het idee dat hier wel iemand heel erg gecanoniseerd werd; en dat het werk de geur van heiligheid niet kon dragen. De terloopse melancholie wordt te sterk als hij te geconcentreerd wordt opgediend.

Wat trouwens niet wil zeggen dat ik toch niet blij ben, vooral met het poëziegedeelte. Het is altijd fijn om de dichter Campert te lezen, met zijn onovertroffen achteloze parlandotoon. Hopelijk komen er snel ook nog andere verzamelingen.

26.10.16

Julie Schumacher. Dear Committee Members. London: The Friday Project, 2015 (2014)

Het is een briljant idee: een roman in de vorm van aanbevelingsbrieven. Jay Fitger is een professor in creative writing aan een Amerikaanse universiteit ('Payne') en schrijft inmiddels meer van dat soort brieven – voor studenten, ex-studenten en collega's –dan dat hij aan zijn romans werkt. En dus volgen we zijn wederwaardigheden gedurende enkele maanden in 2009-2010 aan de hand van de brieven.

Het is voor het genre natuurlijk dan wel nodig dat die Fitger een enigszins excentrieke aanbevelingsbrievenschrijver is, die zijn epistels lardeert met allerlei persoonlijke ontboezemingen. Wat daarbij helpt is dat hij soms iemand moet aanbevelen bij zijn ex-vrouw, of bij de vrouw die hij ooit vreselijk beledigd heeft met zijn satirische debuutroman (een campus novel, natuurlijk), of dat hij omgekeerd een vrouw met wie hij een paar keer naar bed is geweest moet aanbevelen voor een baan bij een andere, volgens hem minder goede, universiteit.

Het is allemaal heel grappig en knap gedaan, maar uiteindelijk ontbreekt er toch een soort spanning. Die Jay is net niet gek genoeg, en de verhalen die er geweven worden door de geschiedenis net niet aangrijpend genoeg. Het zijn er twee: een van een protégé in wie Jay veel van zichzelf lijkt te herkennen en die hij steeds wanhopiger voor allerlei baantjes her en der aanbeveelt, omdat hij ooit zo'n groot romanschrijver zal worden (en die uiteindelijk op verdachte wijze om het leven komt). En een over een ex-medestudent die ook een veelbelovende schrijver was tot hij stilviel,

Maar geen van die verhalen is krachtig genoeg opgezet om een tegenwicht te kunnen bieden tegen klachten over de permanente overlast van verbouwingen die nodig zijn om de economen van de universiteit een nog betere werkplaats te bieden, Jays enorme afkeer van het bedrijfsleven en van de computerondersteuning op de universiteit, enz.

Die zijn allemaal grappig, het is allemaal heel slim gedaan, maar het is net te weinig voor 180 pagina's, voor mijn gevoel.


23.10.16

Ivan Jablonka. Laëtitia ou la fin des hommes. Paris: Éditions du Seuil, 2016.

In de nacht van 18 op 19 januari 2011 werd Laëtitia Perrais vermoord. Of ik daar in Nederland iets van heb meegekregen, kan ik niet eens meer zeggen. In Frankrijk leidde de moord een paar weken lang tot grote ophef, maar het is heel wel mogelijk dat het faits divers niet echt op mijn leestafel is gekomen. En zo wel, dat het mij dan is ontgaan.

In zijn nieuwe boek Laëtitia ou la fin des hommes doet de historicus en socioloog nu iets interessants en belangrijks: hij probeert Laetitia meer recht te doen dan het faits divers ooit deed, door niet alleen zo precies mogelijk te beschrijven wat er met haar gebeurd is, maar die gebeurtenissen ook in een sociologische context te plaatsen, nauwkeurig en kritisch te bezien wat een en ander ons zegt over de politiek, en het verhaal ook op zichzelf te betrekken.

Laëtitia was een meisje van negentien, die op een dag waarop ze zich net wat ongelukkig voelde een psychopaat van dertig tegenkwam, die haar een middag en een avond lang met lieve woordjes en attenties verraste, en haar in de erop volgende nacht vermoedelijk tot seks dwong en in ieder geval vermoordde en in stukken sneed.

Maar er was meer aan de hand, laat Jablonka zien. Laëtitia en haar moordenaar, Tony, deelden een zeer ongelukkige geschiedenis van geweld in het eigen gezin, eenzaamheid en andere ellende van de Franse (blanke) onderklasse. Laëtitia zat in een soort pleeggezin, samen met haar tweelingzus. Het leven van Laëtitia en van Tony was zo ongelooflijk anders dan dat van een Parijse hoogleraar als Jablonka dat het raar is om te beseffen dat ze in dezelfde tijd in hetzelfde land leefden.

Bovendien kreeg het verhaal al snel ook een politieke lading, omdat president Sarkozy al een paar dagen na het gebeurde impliceerde dat het de schuld was van de rechters die Tony te vroeg hadden vrijgelaten, hoewel deze tot dat moment nog geen aanrandingen of moorden had gepleegd (hij had in de gevangenis gezeten voor roof en diefstal). Hierop ontstond een enorm tumult in de samenleving, waarin ook Laëtitia’s pleegvader een belangrijke rol speelde. Die pleegvader werd een paar maanden later door enkele pleegkinderen, waaronder Laëtitia’s tweelingzus, ervan beschuldigd dat hij zich aan hen vergrepen had.

Laëtitia ou la fin des hommes is daarmee onder andere een interessant boek over populisme, over de tweedeling in de samenleving, over de manier waarop mannen met vrouwen omgaan en veel meer. Het laat daarmee goed zien wat Jablonka wil: dat academici iets bij te dragen hebben aan de samenleving, door de zaken net wat dieper uit te pluizen. Wij aan de ene kant van de maatschappelijke kloof weten steeds minder over hen aan de andere kant. We zien ze weleens voorbij komen in als fait divers (een van de ernstigste scheldwoorden die Jablonka kent) in het nieuws, waaruit ze na een paar weken weer verdwenen zijn. Laten we ons eens in wat van die levens verdiepen, bedenken wat het eigenlijk betekent over wie zij zijn, wie wij zijn. En een monument voor ze oprichten dat groter is en waardiger dan wat zij ooit voor zichzelf zouden bouwen, wat wij ooit voor onszelf zouden bouwen.


16.10.16

Ben Coates. Why the Dutch are different. Into the hidden heart of the Netherlands. London: Nicholas Brealy, 2016.

Boeken over landen zijn onzin. Een of andere buitenlander vestigt zich een tijdje in een land en beschrijft dan zijn ervaringen alsof die prototypisch zijn voor 'de' Griek of 'de' Panamees. Alsof zo iemand dat kan weten. Alsof zo'n 'de' inwoner van een land bestaat. Vaak ziet zo'n schrijver ook ieder verschil tussen gewoonten in zijn eigen land en die in het land waar hij is als kenmerkend voor de laatste (alsof het niet ook kenmerkend kan zijn voor zijn eigen land).

Om dat te beseffen moet je af en toe waarschijnlijk een boek lezen over je eigen land, zoals Why the Dutch are different van de Britse schrijver Ben Coates. Zo denkt Coates dat álle Nederlanders niets liever doen dan de hele tijd met vreemdelingen een praatje aanknopen. Verlegen Nederlanders bestaan niet, beweert hij. Tja. Laten we zeggen dat ik toch best wat verlegen mensen ken; dat ikzelf mijzelf als Nederlander beschouw, maar lang niet altijd verlegen zit om een praatje. En dat ik juist in Engeland soms verbaasd ben over hoe leuk Engelsen kletsen vinden.

Coates brengt het omdat het hem opvalt dat Nederland (hij woont er zelf, met een Nederlandse vrouw, over wie hij niet veel meer weet te vertellen dan dat ze 'mager' is) zo'n dichtbevolkt land is en de Nederlanders daar best mee kunnen leven. Dat is op zich ook al iets onzinnigs, voor iemand die uit Londen komt, dat nog veel dichtbevolkter is, zonder dat men er bij mijn weten de hele dag schermutselingen zijn. Nee, Londen is geen land. Nou, en?

Coates hanteert bovendien voor zijn boek een sjabloon dat heel gebruikelijk is in dit soort boeken: hij beschrijft hoe hij een reisje maakt – een wandeling door Dordrecht, een treinreis door Limburg en Brabant tijdens carnaval – en die beschrijving mixt hij dan met algemene beschouwingen over het land en geschiedenis. Die geschiedenis is overigens best aardig gedaan, het is het beste ingrediënt van het programma, maar die algemene beschouwingen zijn allemaal dus nogal overdreven – de lokale inwoners in zo'n boek moeten nu eenmaal excentriek zijn – en de kaderreisverhaaltjes zijn niet zo interessant omdat Coates eigenlijk echt individuele mensen beschrijft die hij tegenkomt of écht iets interessants of opvallends meemaakt.

Het is het soort boek dat je doet beseffen dat je dit soort boeken eigenlijk niet moet lezen.


8.10.16

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeiffer. Duetten. Amsterdam: Lebowski, 2016.

Ik kan nog steeds slecht tegen wat taalkundigen code switching noemen: tijdens een gesprek, of zelfs binnen een zin ineens overschakelen van de ene naar de andere taal. Met de meeste mensen die ik ken en met wie ik verschillende talen deel vind ik het prettig als er een – meestal onuitgesproken – afspraak bestaat over welke taal we spreken, zodat daarover niet onderhandeld hoeft te worden en zodat we ook niet hoeven te wisselen. Ik heb trouwens het gevoel dat dit voor de meeste gesprekspartners ook geldt.

Met het lezen van correspondenties heb ik misschien om die reden al snel problemen. Ik schakel zelfs inhoudelijk liever niet al te vaak. Als een correspondentie uit lange brieven bestaat, gaat het: ik lees eerst een paar pagina's in deze stem, en dan een paar in die stem. Maar als er periodes zijn waarin korte berichten worden uitgewisseld, dan sla ik die over. Zo snel kan ik niet schakelen. Bij brievenromans heb ik dat probleem trouwens niet: dan weet ik dat er één auteur is en stoort mij al dat heen-en-weer niet.

Duetten, de gezamelijke bundel van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, vind ik daarom moeilijk te lezen. Het zijn gedichten die volgens de verantwoording in e-mailcorrespondentie zijn ontstaan: de ene dichter stuurde de ander een paar regels, waar die ander dan weer op reageerde. Bovendien kiezen de dichters voor heel andere stijlen: Pfeijffer voor de gepaard rijmende alexandrijnen die hij bijna tot zijn handelsmerk lijkt te maken, Harmens tot een veel vrijer vers, dat een heel enkele keer zich een beetje aanpast aan die alexandrijnen (alsof iemand voor de vorm zijn Nederlands met een Engels accent begint te spreken), maar over het algemeen is hij veel, veel vrijer: regels van zeer wisselende lengte, zonder metrum en meestal zonder eindrijm.

En ik vind dat ontzettend moeilijk te lezen. De heren reageren op elkaar, laten merken dat ze zien wat de ander wil, of niet, dagen elkaar uit, beuren elkaar op; maar het blijven twee heren, die ieder in een eigen poëtisch universum zitten en het lukt mij nauwelijks of niet om de hele tijd te schakelen van de een naar de ander. Ik kan het daardoor alleen heel oppervlakkig lezen, als een spelletje, als een slam op papier. Er zit misschien meer in, maar door een beperking van mij (ongetwijfeld een beperking van mij), haal ik dat er niet uit.

25.9.16

Martijn Benders: Fliermans passage. Amsterdam: Van Gennep, 2016.

Duizelingwekkend. Dat vind ik nu eens een goed woord om Martijn Benders' eerste (of enige, maar ik hoop eerste) roman te beschrijven. Het wordt in deze tijd voor allerlei mensen steeds moeilijker om hele boeken uit te lezen. Zulke mensen moeten Fliermans passage eens lezen, want doordat er de hele tijd van alles gebeurt, en nooit iets wat je verwacht, lees je het in één ruk uit, of hooguit twee.

Het dendert maar voort, de toon gaat van hilarisch-absurd naar zeer zwart en naar en gewelddadig en binnen een halve zin weer terug. En dan ineens heb je het uit en vraag je je af wat je in hemelsnaam gelezen hebt, en waarom.

Het heeft ook geen zin om te proberen het verhaal samen te vatten. Er zijn drie personen die aan het woord komen: de schrijver Chamiel Flierman die aan het begin als aflegger gaat werken bij een uitvaartcentrum en daar al snel merkt dat hij de uit te voeren werkzaamheden (wassen en balsemen) sneller kan uitvoeren met een schrobber en een verfroller; zijn collega Jos die het opwindend vindt om zich te pas en te onpas als Zwarte Piet uit te dossen; hun veel te dikke baas Henk die op een dag wakker wordt en dan blakend van ambitie denkt zijn bedrijf te kunnen internationaliseren. 

Stel je deze drie personen voor en een bijna voortdurend aanwezige maar niet aan het woord komende Anita, en een Carmen die geen vrouw blijkt maar een man, en een oversekste dwerg, en dit alles in een orgie van seks, sterke drank en geweld – beide op ongeveer even deprimerende wijze beschreven – en je krijgt een beeld.

(Ik denk trouwens wel dat het boek net iets geduldigere eindredactie had mogen krijgen van de uitgever. Vermoedelijk heeft de schrijver op zeker moment besloten dat de passages over Jos en Henk niet in de derde persoon moesten worden geschreven, maar in de eerste. Resten van die eerdere versie zijn dan blijven staan, zodat ik zich vergis en een paar van zulke wonderlijke constructies meer. Dat lijkt me niet de bedoeling.)

Er zit bovendien behoorlijk wat structuur in de chaos. Hoe vreemd de wendingen ook zijn, de schrijver weet tegelijkertijd wel degelijk allerlei lijnen vast te houden – de diepe wortels van het racisme in onze geest, bijvoorbeeld of de razendsnel afbrokkelende status van literaire schrijvers. 

Net als de poëzie van Benders is dit proza vooral ontstellend energiek. Alles wat zijn pen aanraakt verandert in kilovolten. Vandaar dat het in ieder geval nooit saai wordt, en altijd minstens een beetje vreemd. En dat alles waar je over kunt klagen bij de gemiddelde Nederlandse roman hier tenminste niet gebeurt. Fliermans passage is een boek voor iedereen die zich bij andere boeken weleens verveelt; en wie is dat niet?





8.9.16

Homeros. Ilias. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Vertaling: Imme Dros

Mocht iemand willen weten wat mijn taalervaring van de afgelopen maanden was, dan zou ik zeggen: Imme Dros' vertaling van de Ilias. Ik had hem al een tijdje in huis, en er een half jaar geleden al her en der in gelezen. En toen meteen gezien dat hier iets bijzonders aan de hand was.

Ik vond tot nu toe de Ilias altijd moeilijker dan de Odyssee: het wereldbeeld is moeilijker te vatten, je kunt je als 21e eeuwer, of in ieder geval als Marc van Oostendorp, moeilijker verplaatsen in een verhaal dat voor een belangrijk deel toch gaat over op welke plaats in het lichaam van welke held welke speer precies binnendringt en waar die speer het lichaam dan weer verlaat. De Odyssee is meer een avonturenboek; en tegelijkertijd, besef ik nu, misschien ook wel minder een eenheid.

De Ilias vertelt toch heel duidelijk een verhaal, waarin alles logisch uit elkaar voortvloeit, gegeven enkele premissen (bijvoorbeeld dat er goden zijn): door het onredelijke gedrag van Agamemnon geraakt Achilleus in een onredelijke wrok en vanaf dat moment gaat alles mis. Nu heb ik de Ilias gelezen in een periode dat ik ook het idee had dat men mij op onredelijke wijze het mijne had afgepakt, en ik mij wrokkig terugtrok op het Italiaanse platteland.

Ik ga nu binnenkort weer terug, maar niet omdat ik nu ineens zie dat men mij nodig heeft, dat is wel een verschil.

Maar ik dwaal af. Ik heb de Ilias al vaak gelezen en nog vaker geprobeerd te lezen, maar nooit werd het feest van het boek me zo duidelijk als met deze nieuwe vertaling van Imme Dros, die eerder ook de Odyssee al zo levendig en prettig en menselijk vertaalde. Het stond allemaal zo ver van me af. Ja, ik kon het verhaal wel volgen, maar wat moest ik met die geschiedenis van de strijd om Troje en die rare helden en die zo mogelijk nóg raardere goden? Het was duizenden jaren geleden vast mooi, maar waar was die glans?

De tekst heeft een duidelijk, hexametroïde, maar niet al te dwingend ritme (alleen aan het eind van elke regel staat het vast) en tegelijkertijd is de tekst op de een of andere manier leesbaar tot en met: niet te ouderwets en niet te populair, helemaal van nu, maar toch nog met de Homerische eigenaardigheden. Iedere regel een plezier om te lezen en samen ineens een aanleiding om te begrijpen wat de mensen duizenden jaren heeft bewogen om naar dit boek te grijpen.

Ik laat het hier op mijn Italiaanse vluchtplaats achter, dan kan ik er een volgende keer misschien weer naar grijpen. Maar ik koop in Nederland denk ik ook een exemplaar.