Van de zeventiende-eeuwse dichteres Meynarda Verboom weten we niets, of in ieder geval staat er in de DBNL slechts één tekst van haar, en in de inleiding daarvan schrijft de bezorgster M.A. Schenkeveld – Van der Dussen:
Als uit het niets duikt Meynarda Verboom ineens op met een pleidooi voor Eva. Zoals ze het in haar inleidende woordje doet voorkomen, was ze zelf al bijna klaar met haar gedicht over dat onderwerp toen Vondels Adam in ballingschap (1664) verscheen. Dat stuk blijkt heel andere gedachten te vertolken, hetgeen haar tot tegenspraak prikkelt. En dan zwijgt ze weer, op een kleine uitzondering na: een lofdicht voor Adriaen van Allers Notarius publicus, ofte inleydinge tot een openbaren beampt-schrijver (Rotterdam 1671). Alleen dit laatste wist Pieter de la Ruë van haar blijkens een notitie in zijn handschrift Nederlands geleerd vrouwentimmer (1739).
Van dat lofdicht zijn alleen de eerste drie regels te vinden in de DBNL omdat A. Pitlo die citeerde in een handboek over het zeventiende- en achttiende-eeuwse notariaat:
Dit Boek beschaft mij stof,
Om tot van Allers lof
Dees Versjens op te queelen.
Deze regels nemen je alleen al voor Verboon in vanwege de volslagen pretentieloosheid, bijvoorbeeld in vergelijking met de andere lofdichten die A. Pitloo citeert ('Soo pronkt een duytse Pen meer als een Grieksche veêr. / Dees Rotterdammer hoeft voor geen Romeyn te swichten.')
Die wonderlijke nuchterheid blijkt ook uit Verbooms lange gedicht dat de DBNL dit jaar opnam in de Sealy Challenge: Pleyt voor onse eerste moeder Eva. Het werd bekend omdat Verboom het opneemt voor de vrouw, en in het bijzonder voor de eerste vrouw, Eva; maar misschien nog wel meer omdat ze zich keerde tegen de 'prins der dichters', Joost van den Vondel, en diens 'treurspel aller treurspelen', Adam in Ballingschap.
Maar het gedicht is ook om andere redenen de moeite waard. Het begint namelijk zonder dat de dichteres nog weet heeft van Vondels stuk. In plaats daarvan is ze zelf bezig een gedicht te schrijven over Adam en Eva. Pas op regel 150 ploft Vondel ineens op haar schrijftafel en daarna gaat ze flink tekeer tegen de dichter.
Maar eerst is er dus haar eigen gedicht, of de aanzet daartoe, over het paradijs en de zondeval. Het begint zo:
Zo haast mijn zanggodin haar rol had uitgezongen
Zocht zij de trage rust, en zei: waartoe gedwongen
Te worden tot een zang die niet van zelf en vloeit?
Mijn zang heeft nu geen klem, dies laat mij ongemoeid
En gunt uw brein gemak. Ik liet mij overreden;
Te meer, omdat ik zag het aardrijk gans ontkleden
Van 't aangename groen, en geurig bloemsieraad;]
De dichteres wil wel wat schrijven, maar de muze heeft geen zin – als er geen noodzaak is tot schrijven, waarom dan al die moeite doen? En de dichteres laat zich daartoe overtuigen omdat het herfst is (de natuur ontkleedt zich). Binnen een paar regels verandert die herfst echter in de lente, en die lente in het paradijs, en dan komt Adam opduiken, en wordt al snel Eva uit een rib van Adam gemaakt. En dan komt de slang die Eva verleidt om te eten van de boom van goed en kwaad. Maar, mijmert de dichteres, waarom moeten we daar Eva de schuld van geven? Zij was misschien net zwanger en daar wat suf van? En hoe kon ze sowieso weten wat er speelde? En waarom is de vrouw voor een en ander meer gestraft dan de man?
En dan komt ineens Vondel binnen, met zijn stuk, waarin precies breed uit wordt gemeten, hoezeer Adam door zijn vrouw wordt verleid, en hoe hij twijfelt en zich verzet, terwijl Eva zelf zich wel heel gemakkelijk heeft laten overhalen.
Meynalda Verboom moet een heel geleerde vrouw zijn geweest. Niet alleen werd haar gevraagd om lofwoorden te schrijven in een boek voor notarissen, ze blijkt in dit gedicht het werk van Vondel te kennen en bovendien genoeg bijbelkennis te hebben om er de dichter mee om de oren te slaan. In de bijbel staat dat allemaal niet, dat Adam en Eva ruzie maakten over die appel! Dat het allemaal de schuld van Eva was! En dan komt een uitbarsting van authentieke feministische verontwaardiging:
Hoe komt dat Vondel dan de vrouwen zo minacht;
Of meent hij met zijn pen de vrouwen te verbluffen?
Maar neen, de man wordt oud en raakt misschien aan 't suffen.
Hij keert hem aan geen vrouw of hij ze tegenspreekt,
De vrouwenmacht is klein, en 't oordeel haar ontbreekt
Om tegen haar partij voor haar gelijk te schrijven.
't Is goed dan al het vuil de vrouwen aan te wrijven,
Laten die oorzaak zijn van al 't bedreven kwaad,
Zo blijft de man de heer daar 't wel of kwalijk gaat.
Alleen om deze regels al heeft Meynarda Verboom een plaats in het pantheon van de Nederlandse letteren verdiend.

Reacties