24.9.01

{P}. Gerrit Krol. De schrijver; zijn schaamte en zijn spiegels. Querido, 1981.

Toen ik nog echt een Krol-lezer was, heb ik dit boekje ook al eens gelezen. Ik weet niet of me toen al opviel wat me nu opvalt - dat wat mij als lezer het meest aantrekt in dit proza eigenlijk nauwelijks besproken wordt: de stijl.

Krol zegt er zelf wel dingen over. Zo als:

Een schrijver A heeft een bepaalde stijl als je aan elke bladzijde van die schrijver kunt zien: die is van A.

Maar daar zijn we nog niet veel mee opgeschoten. Natuurlijk heeft Krol een eigen stijl. Een typisch voorbeeld is:

Mensen die zo zijn afgestemd dat alleen bij het horen van bepaalde regels hun emoties los komen; met dat soort emoties gaan ze door het leven. Zulke mensen zijn er niet veel, maar wat geeft dat? Hun waarde is er des te groter door en dat is nu net wat hen zo aan de literatuur bindt, ze hebben van tijd tot tijd zelfs kapsones. Dat is hun recht. Dat is het recht van mensen die zeldzaam zijn.

Het gaat vooral om de adem, het hernemen na een punt of een puntkomma. Het benoemen van een verschijnsel en daarop in de volgende zin terugkomen ('hun emoties'-'dat soort emoties'; 'mensen'-'zulke mensen'; 'hun recht'-'het recht van mensen die zeldzaam zijn'.) In het laatste klinkt, misschien onbedoeld, Paul van Ostaijen mee: "Dat is hun recht. Dat is het recht van deze twee heren." Ik citeer nu uit mijn hoofd, het komt uit dat gedicht over Hinderickx en Winderickx, een gedicht dat trouwens door Krol geschreven had kunnen zijn.

Ook de eerste zin is kenmerkend, bijvoorbeeld omdat het eerste deel voor de puntkomma helemaal geen zin is, alleen een zelfstandignaamwoordgroep, zonder werkwoord.

Geen opmerkingen: