6.3.02

{P} Miriam Van hee. de bramenpluk. Amsterdam, De Bezige Bij, 2002. Zoals de bundel begint, zo is hij ook:

op de snelweg

wij zagen een hond op een terras
het was ochtend en koud, toch
was de deur achter hem
half geopend, naast het huis
stonden dennen en
aan de sneeuw op hun takken
kon je nog zien hoe
de wind had gewaaid

Je denkt als je snel door de bundel bladert bijna dat je te maken hebt met een bundel voor kinderen, ik heb dat zelfs een paar minuten echt letterlijk zo gedacht. Maar dat is niet zo, alleen zijn de woorden zo bedrieglijk eenvoudig. Zoals ook dit beeld bedrieglijk is. Je kunt het namelijk compleet stilzetten:

het was zondag, een ochtend
uit zijn en ons leven
hij stond er zo stil
als een paard in de wei
voorbij te gaan

Maar op een bepaald moment denk je dan toch: en die titel dan?

wij hebben een uur
of nog langer gezwegen
toen nam ik papier en ik schreef
er stond een hond op een terras
het was ochtend en koud
en wij snelden voorbij
op de wegen

Kietsj? Kindertaal? Ik heb het ademloos gelezen, tien keer achter elkaar.

Geen opmerkingen: