21.4.02

{P} Douglas Adams. The Ultimate Hitchhiker’s Guide. New York, Wings books, 1996. Hiervan gelezen: The hitchhiker’s guide to the galaxy, The restaurant at the end of the universe, The life, the universe and everything. Wat vond ik dit grappig toen ik zeventien jaar was, en wat was ik erop voorbereid dat dit nu een teleurstelling zou worden. Een teleurstelling werd het niet, al hoefde ik er niet om te lachen, en zag ik nu inderdaad ook meer tekortkomingen: het feit dat het verhaal maar doelloos heen en weer gaat, dat je eigenlijk net zo goed op elk willekeurig moment kunt ophouden met lezen, omdat er niet veel is wat nog moet worden afgewikkeld. Maar je wordt op een bepaalde manier toch ook wel vrolijk van het onbekommerde absurdisme van de verhalen - alles mag, als de 'helden' gered moeten worden, gaat het ruimtevaartschip waar ze in zetten gewoon even in de Improbability Drive. De mengeling van dat absurde met luchthartige belangstelling voor filosofische vraagstukken - wat is de zin van het bestaan? waar zullen we gaan lunchen - en de onbegrijpelijkheid van het universum doet af en toe denken aan Monty Python, dat zal iedereen wel vinden die er iets over schrijft. Er komt een machine in het boek voor, een martelwerktuig dat eruit bestaat dat je de grootte van het universum wordt onthuld en de nietigheid van je eigen aandeel in dat universum. Wie die ervaring heeft, verliest zijn verstand. Behalve Zaphod Beeblebrox, die zelfverzekerder wordt. Maar die stapt dan ook in de machine in een speciaal voor hem gecreëerd droomuniversum, waarin hij inderdaad ontzettend belangrijk is: de wereld is immers voor hem gemaakt.

Geen opmerkingen: