29.6.02

{P} Een menigte van talen. Vijfenveertig dichters voor Jozes Deleu. Tielt: Lannoo, 2002. Ik wou ineens dat ik Jozef Deleu was, want wat een geweldige bundel heeft die man gekregen! Vrijwel alle dichters die aan zijn feestbundel bijdroegen zijn zeer goed en groot, en vrijwel allemaal hebben ze hun beste beentje voorgezet, met interessante, inspirerende, ontroerende, fraaie gedichten over taal, over hun moedertaal. Zoals Piet Gerbrandy:

Memmen, verleer me de taal van uw hui
die niet botert met wrongel, verhaal
me hoe onder uw romige lommer

vandaan ik op jacht moest naar spraak
om het zijnde te schiften.

Werd huid schors, armen takking van deelzaam
geritsel en struikeling wekkende wortels,

vliegden wand voor mijn opper van blad,
plag, mos, waar ik snijdende lijnen kort
in mijn tors, tweevuldig de neg van mijn zakmes.

Stremde bloed, wat het zong was uw blauw.

Wordt rokopwaartse blok ooit gestuit, doe in tetragonale
arrondissementen vol jurisprudentie, perfect cycloïden
beschrijvende pendels, ik zaken met hektische vaders.

Vooralsnog stem ik in met uw tongen.

Zelden werd de schonkige schoonheid van onze taal zo grandioos gevierd en geëerd. Wat mij betreft, dan. Dat alles gebeurt bovendien ook nog eens in een zeer smaakvol uitgegeven boekje.

Geen opmerkingen: