5.6.02

{P} Louis Couperus. Noodlot. Utrecht/Antwerpen: Veen, 1990 (1890). Lange tijd had ik geen Couperus meer gelezen, en wat een gemis. Hij is toch wel een schrijver waar bijna alles goed aan is, wat mij betreft toch op zijn minst de beste Nederlandstalige romanschrijver. Die stijl!

Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neêrkrulde, scheen te plakken aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zoû uitloopen, maar hij gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne levensketting vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden, die van zijn tong af zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zoo als eene spin een vlieg omwindt in den draad, die zij uitweeft.

Maar vooral ook: die Shakespeareaanse psychologie! Je kunt elke persoon op wel minstens vijf verschillende manieren begrijpen. Het einde van het boek is eigenlijk te dramatisch om waar te zijn, meer iets voor een Italiaanse opera dan voor een roman. En toch was ik gisteren even treurig toen ik het uithad.


Geen opmerkingen: