Doorgaan naar hoofdcontent
{P} P.P.J. van Caspel. Experimenten op experimentelen. Amsterdam: Uitgeversmij. Holland, 1955. In dit boek uit 1955 beschrijft Van Caspel hoe hij enige fonetische en anderssoortige experimenten heeft uitgevoerd op de belangrijkste vijftigers (Elburg, Schierbeek, Kouwenaar, Lucebert, Hanlo, Campert). Bijvoorbeeld kregen ze een apaaraat omgord dat hun buik- en borstademhaling in kaart bracht, moesten ze binnen een minuut woorden opsommen (en werd o.a..gemeten ho lanmg hun pauzes waren), enz.

Dat woordenexperiment levert soms potsierlijke resultaten op. Zo telt Van Caspel welk percentage woorden uniek is voor een bepaalde spreker en kent dan een 'originaliteitsindex' toe. De dichters krijgen zo een gemiddelde originaliteitsindex van 80; een controlegroep van studenten komt niet verder dan 52. Maar er zijn ook resultaten die nadere bestudering behoeven. Lucebert noemde bijvoorbeeld de volgende woorden: rabarber, zout, hemelrijk, koevoet, lucht, patroon, ijs, muis, dirk, kabel, spel, licht, Grotewohl, tinctuur, marmer, balk (heel hoge originaliteitsindex, want alleen licht was ook door iemand anders genoemd, namelijk door Campert). Van Caspel laat dan zien dat veel van die woorden ook in gedichten van L. voorkomen. Maar hij zegt ook: ijs en muis worden na elkaar genoemd en L heeft sowieso de neiging om die klanken bij elkaar te plaatsen, en citeert dan: 'de kleine muizen uit het oor van de grote rat', 'en soms opzien de gespierde zon/zien stijgen en juichen of de ranke/maan naar de ruisende twijgen duiken', 'een muis tast naar een bijl', en nog zo enige bewijsplaatsen).

Dat alles schreeuwt natuurlijk om vervolgonderzoek. Nu het corpus Lucebert voltooid is kun je je bijvoorbeeld afvragen of de dichter in de loop van zijn carrière ook ALLE genoemde woorden heeft gebruikt. En of hij is door blijven gaan met significant vaker ij- en ui-klanken in elkaars buurt te zetten. Maar ook zou je een en ander kunnen herhalen bij modernere generaties dichters, die immers voor een deel ook weer meer lichamelijke dan cerebrale gedichten schrijven.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …