1.7.02

{P} Arjen Duiker. Misschien vier vergelijkingen. Amsterdam: Meulenhoff, 2002. Ik weet niet wat ik met deze bundel aanmoet, ik heb geprobeerd te lezen, te lezen en door te lezen, maar het wordt mij niet duidelijk wat de dichter hier nu wil. De betekenis is duister, de toon doet het meest denken aan een niet-ritmische vertaling van een oud epos uit een heel andere cultuur. De taal is niet van grote schoonheid, wel van grote duisterheid. Er is herhaaldelijk sprake van zingen, maar de tekst zingt zelf niet. Er zitten flauwe woordspelingen in, of in ieder geval dingen die klinken als flauwe woordspelingen:

Voor de wiskundige
Zijn wij misschien vier vergelijkingen,
Voor de komiek
Zijn we minstens twee grappen,
Voor de autodealer
Zijn we geen reclame.

Misschien, als je de moeite zou nemen diep in de tekst door te dringen, vind je ongehoord veel prachtigs. Maar er zijn weinig aanleidingen om heel diep in de tekst te willen doordringen. Want misschien, als je de moeite zou nemen diep in de tekst door te dringen, was het allemaal maar verspilde moeite. (Ik word toch al eerder ontroerd door de vorm dan door de diepzinnige betekenis.)

Geen opmerkingen: