21.8.04

Marja Brouwers: Casino

{P} Marja Brouwers. Casino. Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.

Ik was dit boek gaan lezen vanwege een bewonderend interview in de Groene Amsterdammer, waarin ook nog allerlei jubelende recensies werden aangehaald, net als op de achterflap van de (vierde) druk die ik heb gekocht.

Ik had dus het mooiste boek van de afgelopen jaren verwacht, en daarin werd ik teleurgesteld. De essayistische passages tussendoor stoorden me. Als zij op zichzelf hadden gestaan had ik ze meteen overgeslagen -- een essaybundel waarin deze generaliserende toon werd aangeslagen zou ik nooit hebben uitgelezen. Nu wekten ze bovendien door de heel algemene toon bovendien wel heel erg de indruk dat er ook in het verhaal zaken werden gezegd met een grotere, algemenere geldigheid, over de mens, of op zijn minst over de tijdgeest. En dat kon het verhaal niet dragen.

Het best kun je Casino waarschijnlijk lezen als een satire, maar dan een die er niet per se op uit is grappig te zijn. In essentie gaat het boek over twee mannen: de journalist Rink de Vilder en de succesvolle jaren-negentig-ondernemer-annex-crimineel Philip van Heemskerk. De laatste is echt een karikatuur van iemand die alles kan. Als er een probleem is met Rinks computer, ziet die Van Heemskerk in een oogopslag dat dit komt doordat er een verkeerde versie van een browser over een andere heengeschreven is, en bovendien weet hij precies en uit zijn hoofd welke bestanden er dan vervangen moeten worden. Dat weet natuurlijk niemand, tenzij hij lang op een helpdesk gewerkt heeft en dit probleem weleens vaker aan de hand heeft gehad. Maar Philip van Heemskerk heeft nooit op een helpdeks gewerkt, en gezien zijn grote vaardigheid is het heel onwaarschijnlijk dat hij zelf ooit met dit bijltje gehakt heeft.

Aan de andere kant heeft al die praktische zin dan wel weer iets prettigs, als het gaat over onderwerpen waar ik weinig vanaf weet, zoals de constructie van een huis. Heel eigenaardig zijn de eindeloze jammerklachten over het wrede lot dat de huizenverhuurder moet ondergaan in Nederland. Het staat een beetje haaks op de algemene boodschap die tegen de graaizucht lijkt in te gaan, hoewel het in dit geval de boze huurders zijn die graaizucht wordt aangewreven (zij proberen op alle mogelijke manieren de huur tot onredelijk lage proporties terug te brengen). Maar ik dacht dat in de jaren negentig iedereen een huis kocht, zodat op het laatste de overheid zelfs campagnes ging voeren om mensen ervan te overtuigen dat huren ook voordelen heeft?

Enigszins storend vond ik dan weer wel dat de namen van de collega's van De Vilder allemaal namen hebben uit Bordewijks Bint (Van de Kabargebok, Daamde, enz.) Het lijkt net alsof de schrijfster daar iets mee wil zeggen, maar het is mij niet duidelijk wat.

Geen opmerkingen: