17.9.04

Rudie Kagie. Boudewijn Büch. Verslag van een mystificatie

Rudie Kagie. Boudewijn Büch. Verslag van een mystificatie. Amsterdam: Prometheus, 2004.

Boudewijn Büch heeft zijn hele leven verzonnen. Hij vertelde zijn beste vrienden dat hij een zoontje had dat op zesjarige leeftijd was overleden; dat hij twee keer was afgestudeerd, of drie keer; dat zijn vader in de oorlog gevlucht was uit Duitsland, of Polen, of Rusland. De 'biografische schets' van Rudie Kagie gaat dan ook meer over wat Büch niet heeft meegemaakt dan over wat hem wel is overkomen. Dat laatste was ook iets minder spectaculair: schrijven, schrijven, schrijven, tot je er bij neervalt. En vriendschappen opzeggen, en onmogelijk zijn. Ondanks al zijn charmes was Boudewijn Büch volgens dit boek een onaardige man, die zeker de laatste jaren alleen nog geïnteresseerd was in geld om zijn verzameling uit te breiden. (Ik weet nog dat een kennis me een jaar of acht geleden vertelde dat hij Büch had gevraagd om iets te presenteren voor een sympathiek project om de klassieke Nederlandse literatuur aan de man te brengen; en dat hij was geschrokken van het waanzinnige bedrag dat Büch voor zijn bijdrage vroeg.)

De drukte die er nu ontstaat over die verzinsels, lijkt me een beetje overdreven. Ik dacht eigenlijk dat iedereen wel wist dat er gerede twijfel was of Büch wel ooit een zoontje had gehad, en zo ja, of het overleden was, of hij ooit een universiteit van binnen had gezien, enz. Het enige dat nieuw is, is dat hij deze dingen ook aan zijn beste vrienden vertelde.

Het aardige van dit boek is dat niet wordt geprobeerd een echt antwoord te geven op de vraag waarom Büch het nodig vond al die rampen te bedenken die hem steeds maar moesten overkomen, waarom hij moest rondstrooien dat hij homo- of pedoseksueel was, terwijl hij uiteindelijk alleen minnaressen gehad heeft, enz. Een deel van het antwoord op die vraag ligt misschien ook wel in het feit dat iedereen altijd maar die waaromvraag stelt. Als je je ongelukkig voelt, kan dat niet komen doordat je doodgewone Wassenaarse vader onlangs is overleden, dat moet wel te maken hebben met de dood van een zoontje. En als je van die vader hield, was hij de oorlog natuurlijk niet als een tamelijk kleurloze vaderlander doorgekomen, maar als een slachtoffer én een held. Als overal verklaringen voor moeten bestaan, moet je die desnoods zelf verzinnen. Er blijkt trouwens niet uit dit boek dat veel mensen dat nu zo erg vonden; veel mensen hadden wel door dat het allemaal niet zo klopte, maar vonden het ook niet nodig om dat na te gaan.

Een modernere vorm van verklaring is een medische, en die duikt af en toe ook op, in de vorm van de term pseudologia fantastica: die 'drang' om dingen te verzinnen, dat is duidelijk een aandoening. Nou, daar had Büch zelf ook wel van alles op geweten, want hij was immers een tijdje als 'psychofarmacohistoricus' aangesteld aan de Universiteit Utrecht. Zei hij.

Geen opmerkingen: