Doorgaan naar hoofdcontent

Fabrice Pliskin. L'Agent dormant

Fabrice Pliskin. L'Agent dormant. Paris: Flammarion, 2004.

De eerste vijftig bladzijden van dit boek zijn prachtig. Een Franse Algerijn, Mohammed Bendjebbour, van een jaar of veertig vertelt er zijn treurige leven in, van een kind van een vermoorde verzetsstrijder dat een tijdje bij Fransen doorbracht, maar door hen weer verstoten werd, en vooral van een buschauffeur in een voorstad van Parijs die alle vernederingen die hij moet ondergaan niet meer aankan. Helaas komt Mohemmed na die vijftig pagina's een linkse zeventigjarige hoogleraar filosofie tegen, een zekere Jean-René Brideau, en dan moet het boek nog driehonderdvijftig pagina's, die ik eerlijk gezegd vooral heb doorgelezen uit solidariteit met de eerste vijftig, en in de hoop dat er daar nog iets van terug zou moeten komen.

Die driehonderdvijftig pagina's zijn vooral een satire -- Brideau is een volkomen belachelijke, irreële figuur, iemand die met de mond enorme sympathie belijdt voor alle minderheden tegelijk (homo's, vrouwen, joden, moslims) maar ondertussen van iedereen gebruik maakt en in niemand echt geïnteresseerd is. Iemand die zogenaamd de tv-roem minacht, tot hij zelf op de tv mag. Iemand die beweert niet om het materiële te geven, terwijl hij oesters eet. Dat soort werk, en de tegenstrijdigheden worden er duimendik bovenop gelegd. Een sympathiek kantje valt aan deze man niet te ontdekken, en waarom Mohammed Bendjebbour zo geïntrigeerd raakt door deze verderfelijke figuur wordt mij in ieder geval nergens duidelijk. Sterker nog, Mohammed lijkt zelf door al die onzin af en toe heen te prikken, dat wordt wel duidelijk, maar waarom hij Brideau toch als zijn meester lijkt te beschouwen, ach. Dit is een heel erg met de huidige Zeitgeist meewaaiende satire, waarom ik geen enkele keer heb hoeven lachen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …