Doorgaan naar hoofdcontent

Philippe Claudel. Les âmes grises. Paris: Stock, 2004 (2003).

Aan de stapels bij zelfs de Nederlandse boekwinkels te zien, moet dit een van de grote literaire successen van Frankrijk zijn geweest, de afgelopen jaren. Het is ook niet moeilijk in te zien waarom: in tegelijk eenvoudig maar ook poëtisch proza wordt een zeer treurig verhaal verteld over liefde en dood.

Dat verhaal heeft tegelijkertijd ook nog iets van een detective. Het decor is de Eerste Wereldoorlog, net als in de populaire film (eerder dit jaar gezien) Un long dimanche de fiançailles en in zekere zin The Maze van Panos Karnezis — als we de Grieks-Turkse oorlog voor het gemak ook tot de Grote Oorlog rekenen. Er zijn meer vergelijkings punten tussen The Maze en Les âmes grises. Beide spelen zich af in een geïsoleerd plattelandsdorpje; in beide wordt veel werk gemaakt van de verschillen tussen elite en het gewone volk, in beide wordt aangetoond hoe absurd het is om nog over misdaad te spreken tegen een achtergrond van grootschalig moorden. Maar Les âmes grises is van de twee het melancholiekst.

Toch heeft het een tijd geduurd voor ik er doorheen was. Maanden geleden ben ik begonnen, en toen na een week geworstel pas tot de helft gekomen. Het afgelopen weekeinde heb ik ineens de tweede helft gelezen. Ik zie wel waarom het zo populair geworden is, maar toch ben ik er niet van ondersteboven. Er gebeurt eigenlijk net iets te veel in dit boek. Niet alleen bespiegelt de politieagent uitgebreid over wie nu toch het kleine meisje vermoord kan hebben, waar het allemaal om draait, niet alleen wordt je daarnaast regelmatig geconfronteerd met de dood van weerloze soldatenjongens, maar daarnaast overlijdt ook nog eens de echtgenote van de verteller, Clémence, in het kraambed, en daaroverheen bekent deze verteller op het laatst het babytje met een kussen te hebben doodgedrukt, omdat hij de gedachte niet kon verdragen zonder zijn geliefde maar met dat kind -- haar 'moordenaar' -- verder te moeten. Dat werd me net iets te melodramatisch, maar toen had ik het boek dan ook na een bladzijde uit.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …