Doorgaan naar hoofdcontent

Nelleke Noordervliet. Altijd roomboter. Amsterdam/Antwerpen: Augustus, 2005.

De overgrootmoeder van Nelleke Noordervliet werd geboren in 1856 en overleed in 1953; dat betekent dat de schrijfster als kind haar nog heeft gekend, en daarmee in contact heeft gestaan met de tweede helft van de negentiende eeuw. In dit boek gaat ze na hoe die overgrootmoeder haar tijd beleefd moet hebben. Helaas is er over Engelbertha Teljeur-Wiggelaar maar weinig bekend, zodat het boek gedragen moet worden door de schrijfster. En helaas kan Nelleke Noordervliet die taak niet aan.

Wat was het bijvoorbeeld mooi geweest als Noordervliet als een onvermoeibare verslaggever in de geschiedenis was gedoken, als je het idee had dat ze elke steen had bovengehaald om meer over haar oma te weten te komen: mensen proberen op te sporen die haar nog gekend hebben &emdash; dat moeten inmiddels zelf oude mensen zijn geweest, maar ze zullen er toch nog wel zijn &emdash;, mensen die in soortgelijke milieus hebben geleefd; al had ze maar uitgebreide beschrijvingen gegeven van de huidige staat van de Leidse huizen waar Engelbertha heeft gewoond, al had ze maar aangebeld in die huizen om er nog eens te komen kijken. In plaats daarvan krijg je de indruk dat ze heeft volstaan met een enkel bezoekje aan het Leids Gemeentearchief, het raadplegen van één negentiende-eeuwse krant, een citaat uit Multatuli, en nog wat vrij willekeurige andere bronnen. Je krijgt daardoor niet het gevoel dat de schrijfster echt heel graag heeft willen weten wie haar overgrootmoeder was. De rest wordt aangevuld met eigen beschouwingen van Noordervliet, en uit haar fantasie voortgesproten belevenissen van haar grootmoeder. En jammer genoeg vind ik noch die beschouwingen, bijvoorbeeld over de vruchtbaarheid door de eeuwen heen, noch die fantasieën bijzonder inspirerend. De laatste vijftig bladzijden heb ik niet eens meer gelezen, alleen een beetje doorgebladerd. Jammer!

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …