30.12.05

Jan Siebelink. Knielen op een bed violen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

Gaandeweg moest ik me gewonnen geven. Knielen is een erg Nederlands boek, en dat betekent onder andere dat de zinnen wel erg kort zijn, en aan dat brokkelige moest ik wel even wennen:

Korte, striemende slagen. Hij staarde met wijdopen ogen naar de grond. Pijn. Geen verwondering, het leek of de afstraffing langs hem heen ging. Wee, wie met zijn Formeerder twist!

De roman gaat over een tuinder in Velp die door een heel naar soort calvinisme, een dat niets met de kerken te maken wil hebben maar wil teruggrijpen op de gedachten van zestiende-eeuwse hervormers, wordt gepakt en daardoor verandert van een vrolijke man in een af en toe heel nare vader. Siebelink heeft er in interviews geen geheim van gemaakt dat het boek heel autobiografisch is, en eigenlijk kun je het ook alleen als autobiografie begrijpen: de verhaallijnen zijn af en toe te kronkelig om verzonnen te kunnen zijn.

Dat autobiografische maakt ook het ontroerende uit: het is aangrijpend om te zien hoe een zoon na vele vele jaren zijn vader, die godsdienstwaanzinnig was en zijn gezin af en toe op het spel zette voor zijn vreemde sekte, zo probeert te naderen door hem zo goed mogelijk te begrijpen. Er wordt niet gespot, terwijl je tegelijkertijd ook inziet hoe erg het geweest moet zijn voor de kinderen, maar vooral ook voor de vrouw die niet met haar man meegaat in zijn waandenkbeelden, maar toch bij hem probeert te blijven, al mag ze hem op zijn doodsbed uiteindelijk niet eens spreken: een woord van een onbekeerde zou weleens kunnen betekenen dat de man toch nog het zielenheil verliest.

Geen opmerkingen: