Doorgaan naar hoofdcontent

Albert Sánchez Piñol. Nachtlicht. Amsterdam: Cossee, 2005 (La pell freda, 2003).

Een jonge Ier zal na de onafhankelijkheid van Ierland een jaar als 'weerkundige' doorbrengen op een klein eiland in het Zuidpoolgebied. De enige andere levende ziel die hij er aantreft op de dag dat hij aankomt is een enigszins gestoorde vuurtorenwachter. De Ier gaat gezellig in zijn hut bij het strand zitten, maar 's nachts wordt hij belaagd door mansgrote kikkerachtige monsters die hem willen vermorzelen. Hij kan niet overleven dan wanneer hij intrekt in de vuurtoren, waar hij erachter komt dat de vuurtorenwachter met een vrouwtjesreuzenkikker naar bed gaat. Die vuurtorenwachter is trouwens een Oostenrijker die luistert naar de naam Battís Caffó. Toch wordt ook de vuurtoren steeds meer belaagd door duizenden van die reuzenkikkers.

Nooit gedacht dat ik ooit een boek met een dergelijk verhaal zou lezen – ik die altijd te pas en te onpas verkondig dat ik niet van sprookjes houd. Maar dit heb ik in anderhalve avond verslonden: wat een wonderlijke schrijver van wie je alles aanneemt, en die ook overal uiteindelijk een geloofwaardige draai aan weet te geven.

Het gaat ook nog niet eens zozeer om de 'boodschap'. Voor zover die er is, is die flauw. De Ier komt er bijvoorbeeld gaandeweg achter dat die reuzenkikkers eigenlijk net mensen zijn, en dat de voortdurende slag om de vuurtoren alleen kan worden opgelost als dat erkend wordt. Dat zou je kunnen lezen als een gedachtegang over het terrorisme. Op het omslag wordt El País geciteerd, die zegt dat dit boek 'een spiegel van deze tijd' geeft. Maar ik vind dat onzin. Je kunt in dit boek van alles zien, maar het is toch vooral in de eerste plaats een ijzersterk verhaal over een heel merkwaardig onderwerp: een inktzwarte tegenhanger van Life of Pi, zou ik willen zeggen.

De vertaling (of de redactie van de vertaling) is trouwens niet best. Het begint al met de titel. De koude huid heet het boek in het Catalaans, een verwijzing naar onder andere de huid van dat reuzenkikkervrouwtje. Waarom moest dat Nachtlicht worden, en waarnaar verwijst dat? (Ja, naar de vuurtoren, dat snap ik ook.) Binnenin staan af en toe echt storende foutjes. Zo meldt de Ier ergens dat hij drie keer tegen de vuurtorenwachter moest spelen, en dat de uitslag was, in de Nederlandse vertaling: "Twee keer schaakmat en een keer gewonnen." Mijn kop eraf als daar in het origineel geen pat stond, in plaats van schaakmat.

Maar deze schrijver gloeit door de slechte vertaling heen. En gaandeweg vallen alle puzzelstukjes in elkaar; wie goed oplet begrijpt aan het eind zelfs, zonder dat dit wordt uitgelegd, hoe een Oostenrijker kan komen aan een on-Oostenrijkse naam als Battís Caffó.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …