8.1.06

Martin Bril. Twee broers en een broodjeszaak. Amsterdam: Uitgeverij 521, 2003.

Martin Bril was een tijdje de 'opvolger van Simon Carmiggelt en Ischa Meijer' als Amsterdamse stadscolumnist van Het Parool. Ik heb geen idee of hij inmiddels alweer door iemand anders is opgevolgd. In dit boekje zijn stukjes verzameld over de broodjeszaak die om de hoek zat bij zijn kantoor, en de twee broers die de broodjeszaak dreven. Het zijn stukjes die echt in de traditie van vooral Carmiggelt staan, over Amsterdammers als toffe gosers die heus wel wat gezien hebben van de wereld maar toch ook gewoon zijn gebleven (al zegt de flaptekst: "Dat laatste is in de freakshow die Amsterdam is toch wel heel bijzonder"). Er is nog een manier waarop Bril in die traditie staat: het plezier van het schrijven. De zinnen en de alinea's zijn soms nogal kort, maar je merkt dat de auteur het fijn vindt om te kijken, en om zijn bevindingen te noteren:

Een van de meest gefotografeerde en gefilmde vuilnisbelten ligt op de hoek van de Kerkstraat en de Leidsestraat recht tegenover broodjeszaak Het Balkje. Gisteren, het was aan het einde van de middag en de zon deed voor het eerst die dag van zich spreken, landde er een tv-ploeg die haar taak zeer ernstig nam.
Allereerst was daar de presentatrice. Zij was blond en had haar keurig verzorgde handen - de lak aan haar nagels was stralend rood - vol aan de grote microfoon waarin zij straks haar verslaggevende woorden zou spreken. In haar kielzog bevond zich een bleke, slungelige eindredacteur die telefonisch permanent met Hilversum in contact stond. Verder waren er de geluids- en cameraman. Deze laatste was een man die stevig zwetend gebukt ging onder de apparatuur die hij met zich meezeulde. Toch had hij een kennersblik, want hij stond nog niet tot de enkels in de opengereten vuilniszakken, of hij wist al waar het statief moest staan.
Niet hier.

Inderdaad heeft dit fragment wat minder te lijden onder het korte-zinnensyndroom, ik heb het niet voor niets uitgekozen.

1 opmerking:

Hans de Leeuw zei

Persoonlijk vind ik dit stukken minder, dan het werk van Carmiggelt zelf.

Je mist de humoristische ondertoon waarin Carmiggelt zo sterk was.