Doorgaan naar hoofdcontent

Martin Bril. Twee broers en een broodjeszaak. Amsterdam: Uitgeverij 521, 2003.

Martin Bril was een tijdje de 'opvolger van Simon Carmiggelt en Ischa Meijer' als Amsterdamse stadscolumnist van Het Parool. Ik heb geen idee of hij inmiddels alweer door iemand anders is opgevolgd. In dit boekje zijn stukjes verzameld over de broodjeszaak die om de hoek zat bij zijn kantoor, en de twee broers die de broodjeszaak dreven. Het zijn stukjes die echt in de traditie van vooral Carmiggelt staan, over Amsterdammers als toffe gosers die heus wel wat gezien hebben van de wereld maar toch ook gewoon zijn gebleven (al zegt de flaptekst: "Dat laatste is in de freakshow die Amsterdam is toch wel heel bijzonder"). Er is nog een manier waarop Bril in die traditie staat: het plezier van het schrijven. De zinnen en de alinea's zijn soms nogal kort, maar je merkt dat de auteur het fijn vindt om te kijken, en om zijn bevindingen te noteren:

Een van de meest gefotografeerde en gefilmde vuilnisbelten ligt op de hoek van de Kerkstraat en de Leidsestraat recht tegenover broodjeszaak Het Balkje. Gisteren, het was aan het einde van de middag en de zon deed voor het eerst die dag van zich spreken, landde er een tv-ploeg die haar taak zeer ernstig nam.
Allereerst was daar de presentatrice. Zij was blond en had haar keurig verzorgde handen - de lak aan haar nagels was stralend rood - vol aan de grote microfoon waarin zij straks haar verslaggevende woorden zou spreken. In haar kielzog bevond zich een bleke, slungelige eindredacteur die telefonisch permanent met Hilversum in contact stond. Verder waren er de geluids- en cameraman. Deze laatste was een man die stevig zwetend gebukt ging onder de apparatuur die hij met zich meezeulde. Toch had hij een kennersblik, want hij stond nog niet tot de enkels in de opengereten vuilniszakken, of hij wist al waar het statief moest staan.
Niet hier.

Inderdaad heeft dit fragment wat minder te lijden onder het korte-zinnensyndroom, ik heb het niet voor niets uitgekozen.

Reacties

Hans de Leeuw zei…
Persoonlijk vind ik dit stukken minder, dan het werk van Carmiggelt zelf.

Je mist de humoristische ondertoon waarin Carmiggelt zo sterk was.

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …