23.11.06

Gerrit Krol. Beitelen aan de eeuwigheid. Essays. Amsterdam: Em. Querido, 2006.

Gelukkig publiceert Gerrit Krol nog af en toe boeken, al heeft hij een tijdje aangekondigd dat hij niet meer schrijven kan vanwege Parkinson. Beitelen aan de eeuwigheid bevat essays die grotendeels eerder in de krant zijn verschenen, over Krols lievelingsonderwerpen: de relatie tussen alfa- en betakennis, de doodstraf, de wiskunde. Krol is al heel lang een van mijn favoriete hedendaagse Nederlandse schrijvers — hier schreef ik eerder over Rondo Veneziano en De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels en elders over Het gemillimeterde hoofd (en in datzelfde stukje over 60.000 uur. De stijl is in deze essays dezelfde, de manier van redeneren ook. De wiskunde is af en toe nog steeds even onzinnig als in eerder werk, maar het gaat natuurlijk ook helemaal niet om de wiskunde, het gaat om de stijl, om die krakend-witte stijl. Als ik met pen schrijf op papier, schrijf ik graag op ruitjespapier, met kleine vierkante ruitjes. Het werk van Krol is op zulk papier geschreven, beter kan ik het niet uitdrukken:

Het strikken van veters. Zo'n nederige, laag-bij-de-grondse activiteit — geen mens die er geen ervaring mee heeft. De meesten zullen zich de eerste keer niet herinneren. Ik wel. Op het schoolplein. Dat was toen een van mijn veters loszat en ik hem niet kon strikken omdat, zo bekende ik, mijn moeder dat altijd voor me deed. Zodat ik flink werd uitgelachen.

Gezeten op de stoeprand, naast elkaar, zodat wij er hetzelfde oog op hadden, deed een vriendje het mij voor. Ik keek toe, en hij keek toe toen ik het zelf probeerde. Als ik mij nu realiseer hoe ingewikkeld die reeks van handelingen is, met al die vingers, begrijp ik niet hoe ik het kunstje toen toch na een paar keer onder de knie had. Zonder handleiding. Handigheid zit vaak in je vingers, meer dan in je hoofd en daarom is het kennis-die-in-je-vingers-zit; het zijn je vingers die het weten.

Geen opmerkingen: