Doorgaan naar hoofdcontent

Gerrit Krol. Beitelen aan de eeuwigheid. Essays. Amsterdam: Em. Querido, 2006.

Gelukkig publiceert Gerrit Krol nog af en toe boeken, al heeft hij een tijdje aangekondigd dat hij niet meer schrijven kan vanwege Parkinson. Beitelen aan de eeuwigheid bevat essays die grotendeels eerder in de krant zijn verschenen, over Krols lievelingsonderwerpen: de relatie tussen alfa- en betakennis, de doodstraf, de wiskunde. Krol is al heel lang een van mijn favoriete hedendaagse Nederlandse schrijvers — hier schreef ik eerder over Rondo Veneziano en De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels en elders over Het gemillimeterde hoofd (en in datzelfde stukje over 60.000 uur. De stijl is in deze essays dezelfde, de manier van redeneren ook. De wiskunde is af en toe nog steeds even onzinnig als in eerder werk, maar het gaat natuurlijk ook helemaal niet om de wiskunde, het gaat om de stijl, om die krakend-witte stijl. Als ik met pen schrijf op papier, schrijf ik graag op ruitjespapier, met kleine vierkante ruitjes. Het werk van Krol is op zulk papier geschreven, beter kan ik het niet uitdrukken:

Het strikken van veters. Zo'n nederige, laag-bij-de-grondse activiteit — geen mens die er geen ervaring mee heeft. De meesten zullen zich de eerste keer niet herinneren. Ik wel. Op het schoolplein. Dat was toen een van mijn veters loszat en ik hem niet kon strikken omdat, zo bekende ik, mijn moeder dat altijd voor me deed. Zodat ik flink werd uitgelachen.

Gezeten op de stoeprand, naast elkaar, zodat wij er hetzelfde oog op hadden, deed een vriendje het mij voor. Ik keek toe, en hij keek toe toen ik het zelf probeerde. Als ik mij nu realiseer hoe ingewikkeld die reeks van handelingen is, met al die vingers, begrijp ik niet hoe ik het kunstje toen toch na een paar keer onder de knie had. Zonder handleiding. Handigheid zit vaak in je vingers, meer dan in je hoofd en daarom is het kennis-die-in-je-vingers-zit; het zijn je vingers die het weten.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …