31.1.07

Gerard Reve. Oud en eenzaam. Amsterdam: Marten Muntinga, 1987 (1978),

Als ik ziek ben, wil ik geen verrassingen, en dus herlees ik dan liever dan dat ik lees. Oud en eenzaam van Gerard Reve bijvoorbeeld. Hoe lang geleden is het niet dat ik dat gelezen heb? Deze druk is twintig jaar oud, en misschien heb ik hem wel gekocht toen hij verscheen.

Ik kon me er ook weinig van herinneren: het boek was bijna een kennismaking met een nieuwe Reve, en dus toch nog een verrassing (gelukkig was ik snel weer beter): misschien is dit wel de ernstigste Reve, een boek waarin hij mooi en klassiek formuleert en bijna nergens ironisch of barok wordt. De titel is de uitzondering.

De schrijver herinnert zich hoe hij een paar jaar eerder in Frankrijk een huis aan het bouwen was, een mooie jongen zag en deze jongen volgde naar een afgelegen hoeve. Tijdens deze gebeurtenis herinnerde hij zich weer andere dingen: hoe hij in de jaren vijftig een heilloze verhouding had met een jonge Engelse actrice, en hoe hij in zijn jeugd tijdens een communistische vakantieweek gaat kanoën met een jongetje.

Die samenvatting doet het boek geen recht, want Oud en eenzaam gaat vooral over sfeer: over beklemming, over eenzaamheid, over nergens bijhoren. Hoe kan je ergens bijhoren als je homoseksuele en sadistische gevoelens hebt? En hoe kun je zulke gevoelens niet hebben als je onder het communisme bent opgegroeid, die verschrikkelijke heilsleer waarin verhalen over door kapitalistische beulen gemartelde jongelingen de enige uitklep waren voor lichamelijke gevoelens?

Ook die retorische vragen doen het boek geen recht, ze maken de subtiele gevoelens die gedragen verwoord worden weer een beetje belachelijk. Niemand heeft in de twintigste eeuw geen fraaier Nederlands geschreven dan Reve.

Toch was er een stijlfiguur die me gaandeweg een beetje begon tegen te staan: beschrijvingen waarbij de auteur het heeft over 'X of Y':

Maar nu zag ik hem: hij kwam van achter het houten hokje te voorschijn met een groot doek of dekzeil dat hij, worstelend met de wind, op de een of andere wijze over het deksel van de kar begon te spannen.

Dat is een mooie figuur, het maakt juist door die aarzeling, de beschrijving preciezer of realistischer. Maar de schrijver past hem wel vaak toe. Tegen het eind zelfs meerdere keren op één bladzijde:

wat deze jongen nu aan het lezen was, of doorbladerde (...)


terwijl hij nu in werkelijkheid op zijn gemak iets lag te lezen, of plaatjes te kijken

in een geïlustreerd tijdschrift, een catalogus van sportverhalen of een of ander onnozel boekje met beeldverhalen

Maar ach, hoe zou je verder over de taal van Reve klagen. Misschien is dit wel hét meesterwerk van Reve, mooier dan De Avonden of Moeder en Zoon of Bezorgde Ouders. Misschien is dit wel een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur.

Eerder schreef ik hier over Het Boek van Violet en Dood.

Geen opmerkingen: