Doorgaan naar hoofdcontent

Philip Roth. Portnoy's Complaint. New York: Fawcett Crest, 1985 (1969).

Ik ga alle boeken van Philip Roth lezen in mijn leven. Eerder besprak ik hier American pastoral, Everymanl, The dying animal en The plot against Americal. Ik las ook The human stain en Operation Shylock. Later dit jaar komt er naar verluidt weer een nieuwe roman, maar intussen probeer ik af en toe ook in te halen: er zijn al tientallen boeken verschenen die ik nog lezen moet.

Ik ben nu maar met Portnoy's Complaint begonnen, Roths beroemdste. Ik moet toegeven dat ik het vooral als een curiosum las, een vroeg werk waarin je thema's uit zijn latere werk weerspiegeld ziet. Zo wordt er ergens melding gemaakt van een zeer succesvolle oom die door de buurt als onjoods succesvol werd gezien — een thema in American pastoral. En ergens wordt terloops melding gemaakt van een Afro-jewish kapsel — iets wat in The human stain van groot belang wordt.

Als het boek op zichzelf had gestaan, als ik al niet een verklaard bewonderaar van Roth was geweest, had ik het misschien niet zo snel uitgelezen. Het is zo, hoe zal ik het zeggen, het is zo puberaal zoals de jaren zestig puberaal waren: een man van 33 die zich nog met zoveel woede afzet tegen zijn ouders. Wat mooi is aan de latere boeken van Roth, vind ik, is de totale compassie met andere mensen; die compassie ontbreekt hier. We zien het hele verhaal vanuit een egomane persoon.

Toch zet het verhaal ook wel aan het denken. Je leest weleens dat de problemen die sommige jonge immigranten in de Nederlandse samenleving hebben, vooral voortkomen uit het feit dat ze zien dat hun goedwillende hardwerkende vaders totaal geen respect krijgen in de samenleving, en misschien ook wel geen respect verdienen. Daarover gaat Portnoy's Complaint óók — het geeft misschien wel een uniek inkijkje in een dergelijke toestand.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …