18.5.07

Mao Zifu. kantoj de anteo. Novjorko (New York): Mondial, 2006.

Ooit, meer dan vijfentwintig jaar geleden, was ik dertien en las ik een boekje dat Esperanto: Utopie of realiteit? heette. Het bracht me ertoe om Esperanto te leren, en van die taal ben ik nooit meer afgekomen. Een van de verhalen in dat boekje die me toen fascineerden, ging over dissidente Chinese dichters die in de gevangenis nog doorgingen met gedichten in het Esperanto te schrijven, op wc-papier dat de gevangenis uitgesmokkeld werd.

Ik lees niet zoveel Esperanto meer, dat blijkt wel uit mijn verslagen op deze website, maar dé sensatie van vorig jaar heb ik nu dan toch gelezen: een bundel van een Chinees die misschien niet letterlijk in de gevangenis zit, maar dan toch wel is opgesloten in zijn lichaam. Mao Zifu werd in 1963 geboren "in een dorp ver weg" zoals hij zegt in de 'schets van de auteur' vooraan in deze bundel. Hij studeerde wiskunde, werd leraar en had enig succes als atleet toen hij in 1985 werd gegrepen door een tractor en raakte volledig verlamd. Sindsdien raakte hij gepensioneerd, en in 1986 leerde hij Esperanto — vijf jaar nadat ik dat deed. En nu publiceerde hij een dikke dichtbundel, de sterkste die ik ooit in die taal gelezen heb, kantoj de anteo (Liederen van Antaeus).

Ik vind kantoj veel beter dan Infana Raso (Het Kinderras) van de vorig jaar overleden William Auld, bijvoorbeeld. Die laatste bundel zie ik vooral als een wat slap antwoord op T.S. Eliot, een Waste Land met een wat optimistischer esperantistische boodschap, en helemaal geschreven in de vroeg twintigste-eeuwse modernistische stijl.

Alles is interessanter aan Zifu: de thematiek, die veel diepgaander is, woester soms, wanhopiger, en gelukkig weinig verband houdt met de toch weinig dichterlijke Esperanto-ideologie. En vooral ook de toon, de stijl, die juist wel veel te maken heeft met het internationalistische van het Esperanto. Moeiteloos schakelt de dichter van westerse trocheeën naar Japanse haikoe-achtige versregels, van Griekse mythologie (Antaeus) naar Hindoe-filosofie, en van vrij vers naar rijm. Bovendien maakt hij ruim gebruik van de mogelijkheden van de taal; in alle recensies die ik van de bundel heb gelezen, maakt de recensent er melding van dat er wel woorden werden gebruikt die hij (de recensent) moest opzoeken in het woordenboek. Dat levert soms wonderlijke teksten op die in de Nederlandse dichtkunst nog het meest lijken op Leo Vroman:

aj

faja
majo
pagajo
en havaja
kajo

feto gaja
che baj...baj
songhe rampas sur himalajon
vidas tamen, najo
voras kobajon
rajo
frajon
samurajo
sipajon
kia kamajo!

ho, jesajo,
kie idilio arkaja?

(Prozavertaling ongeveer: Vilten mei, een pagaai aan een hawaiaanse kaai. Een vrolijke foetus bij sujasuja klimt dromend de Himalaya op, ziet echter, dat een cobra een cavia eet, een platvis kuit, een samoerai een indische soldaat... wat een pentekening! Oh, Jesaja, waar is de arkadische idylle?)

Een zo cosmopolitische visie vanuit een zo gekerkerd lichaam, geschreven in een internationale taal die bijna niemand spreekt: kan het ontroerender?

Geen opmerkingen: