24.12.07

Daniel J. Levitin. This is your brain on music. New York: Plume, 2007 (2006).

Hoe is het mogelijk dat je soms na twee noten al hoort welk liedje er klinkt op de radio? Of dat de luisteraar die een trompet en een klarinet tegelijkertijd dezelfde melodie hoort spelen, die instrumenten toch moeiteloos uit elkaar houdt en niet één ingewikkeld instrument hoort? En waarom hebben alle bekende culturen eigenlijk muziek en dans? Dat zijn fascinerende vragen, en Daniel Levitin geeft er fascinerende antwoorden op. Dat kan hij, omdat hij een bijzondere combinatie van competenties heeft: hij is producer geweest bij een platenmaatschappij en tegenwoordig is hij als muziekwetenschapper verbonden aan McGill.

Ik ben zelf fonoloog van mijn vak, ik bestudeer de klanken van talen, en dat ligt natuurlijk in sommige opzichten dicht bij muziekpsychologie. Toch was er veel dat ik niet wist, nee, ik wist bijna niets. De raakvlakken bleken zelfs nog groter dan ik dacht. In mijn vak is er een grote discussie over de vraag hoe mensen woorden precies in hun geheugen opslaan. Een spreker van het Nederlands weet hoe het woord doek klinkt. Komt dat doordat hij (1) alle keren dat hij ooit iemand 'doek' heeft horen zeggen ergens in zijn geheugen heeft zitten, en daar een soort gemiddelde van uitrekent als hij zelf iets moet zeggen, of (2) hij een abstractere vorm heeft die bestaat uit instructies voor het uitspreken van d-oe-k? Voor allebei de theorieën valt iets te zeggen en de discussie duurt voort. Grappig is dan om te zien dat je voor bijvoorbeeld het onthouden van melodietjes dezelfde discussie hebt: onthoud je die in groot detail van de uitvoeringen die je kent, of in een wat abstractere vorm zodat een liedje hetzelfde klinkt als je het twee tonen hoger begint dan de vorige keer? Ook hier valt voor allebei wat te zeggen.

Het viel me wel op dat Levitin weinig gevoel lijkt te hebben voor klassieke muziek. Zijn hart ligt bij de jazz en de rock, en tegen het eind van het boek geeft hij een heel wonderlijke samenvatting van de geschiedenis van de klassieke muziek: tot ongeveer 1950 (Bernstein) was het allemaal oké, daarna verwerd het tot óf filmmuziek óf onbegrijpelijke kunstzinnige muziek. Dat er voor 1950 ook al volop kunstzinnigheid en filmmuziek was, ontgaat hem, evenals het feit dat er ook echt toegankelijke hedendaagse muziek is, en dat er mensen zijn die daar oprecht van genieten. En wel op de manier die Levitin zo toegankelijk en enthousiasmerend beschrijft in zijn boek.

2 opmerkingen: