14.12.07

Peter van Lier. Zes wenken voor muggen aan de deur. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2007.

Lang leve de poëzieclub. Als die club niet had bestaan had ik deze bundel waarschijnlijk nooit gelezen en dan had ik veel bijzondere taal gemist, en een opmerkelijke kijk op mens en dier. In elk gedicht staat een dier centraal, vaak een dier dat op de een of andere manier iets te maken heeft met een mens. Omdat het een hondje is bijvoorbeeld:

Feest voor alle honden (1)

Kleine,

onvermoeibare springers in aantocht,

'bijten naar alles wat maar enigszins aan vlees doet denken!'

zeker in de vorm van
been of bot,
die —

de lampionnen ophangende baasjes
gekromd staand op smalle trapjes
net
onder het plafond, bij

voorbaat al in uiterste rigiditeit doen denken aan ('waf!')

kuiten in gevaar?

In de afdeling waarin dit gedicht staat, hebben alle gedichten bepaalde woorden of frasen tussen aanhalingstekens staan. Ik heb geen idee waarom dat zo is. Google levert bij 'bijten naar alles wat maar enigszins aan vlees doet denken' nul treffers. Het zullen wel geen citaten zijn. Toch werkt het, toch voegt het iets aan die gedichten toe.

Ik begrijp mijn eigen poëziesmaak niet. Van Liers gedichten zijn vreselijk gemaniëreerd — behalve die aanhalingstekens hebben de gedichten in deze afdeling bijvoorbeeld ook nog gemeen dat ze heel veel eenlettergrepige strofes hebben, en dat de laatste steeds rechts is uitgelijnd – en ze gaan over een onderwerp, de relatie tussen mens en dier, dat mij 's nachts niet echt uit de slaap houdt, en toch vind ik het prachtig. Ik wou dat ik kon benoemen, of in ieder geval beter kon begrijpen, waarom dat zo is. Maar dat lukt niet. Gek is dat: dat je een ervaring hebt in taal die je vervolgens niet in taal kunt benoemen. Dat zal dan wel Poëzie zijn.

Geen opmerkingen: