Doorgaan naar hoofdcontent

Gabriel García Márquez. Cent jaroj da soleco. Chapecó-SC: Fonto, 1992 (1967).

Vertaling: Fernando de Diego.

Cent jaroj da soleco Een familie is honderd jaar lang intiem verbonden met het dorp Macondo: de stichters van de familie waren ook de stichters van het dorp, enkele van hun nakomelingen zien het honderd jaar later tenonder gaan. Intussen heeft de familie allerlei magische dingen meegemaakt: doden zijn teruggekomen, een overspelig paar zorgde er iedere liefdesnacht voor dat de veestapel sterk werd uitgebreid, het regende eens ruim vier jaar aan een stuk.

Dat magisch realisme zorgde er ooit voor dat ik Honderd jaar eenzaamheid een aantal jaar geleden terzijde legde. Als een schrijver zomaar van alles kan verzinnen, vond ik toen, dan is er geen lol meer aan, je moet je wel aan de regels houden. Wat was ik toen toch dom.

Vooral de laatste honderdvijftig bladzijden van dit boek heb ik ademloos gelezenl, terwijl ik per trein door Duitsland raasde. Een echte verteller maakt zijn eigen regels, en houdt zich daar dan nauwkeurig aan. Juist al die magische vervormingen dragen bij aan het gevoel van eenzaamheid. Zoals iemand die nooit met iemand praat, maar altijd in zijn studeerkamertje zit (zulke mannen zijn er in dit boek genoeg) juist doordat hij nooit wordt tegengesproken, zich aan almaar fantastischer hersenspinsels onderwerpt, zo kan een geïsoleerde gemeenschap een steeds bizarder lachspiegel worden van de grote wereld. Dat het onmogelijke er mogelijk wordt, maakt het dorp alleen maar benauwender.

En dan de beelden en de personages die je nooit vergeet: de demente stamvader die aan zijn boom wordt vastgeketend. De blinde stammoeder die alle dagelijkse routines zo goed kent dat niemand merkt dat ze blind wordt. De kolonel die in zijn hangmat zijn jeugdgedichten leest. En de vriend van een van de laatste Buendía die Gabriel heet, Gabriel Marquez.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …