3.7.09

Albino Pierro. De kus van het middaguur. 9endertig liefdesgedichten. Rotondella: Archivia, 2008.

Vertaling: Maria van Daalen, Antonio Petrocelli, Silvia Terribili

Albino Pierro. De kus van het middaguur. 9endertig liefdesgedichten Albino Pierro dichtte zijn werk in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de twintigste eeuw in het dialect van zijn geboortedorp, Tursi. Zoals meer Europese dialectdichters werd die keuze waarschijnlijk deels ingegeven door nostalgie: door zijn studie en door zijn intellectuele bestaan, bracht hij vrijwel zijn hele volwassen leven buiten Tursi voor. Hij was dan ook een dialectpurist -- ook dat deelt hij met veel andere dialectdichters -- die zijn vrienden soms midden in de nacht opbelde om te vragen naar een zuivere dialectuitdrukking.

Dit alles weet ik uit een inleiding uit een bloemlezing die een Italiaanse uitgever heeft uitgebracht van Pierro's werk in drie tallen: het Tursitaans, het Italiaans en het Nederlands. De uitgave heeft waarschijnlijk als eerste bedoeling om de Nederlandse lezer bekend te maken met het werk van Pierro, en in dat opzicht is het opvallend dat de inleidingen allemaal door Italianen geschreven zijn (en door Terribili en Van Daalen ook vertaald). Er is zelfs een stuk van Antonio Petrocelli, die als eerste de proza-vertaling heeft gemaakt naar het Italiaans die vervolgens als de basis voor de Nederlandse tekst heeft gediend, over de problemen die hij daarbij tegenkwam. Een dergelijk stuk over het Nederlands ontbreekt echter. Uiteindelijk lijkt De kus van het middaguur eerder een Italiaanse dan een Nederlandse uitgave; wie googelt komt ook vooral Italiaanse websites tegen.

Ik kan helaas niet zeggen dat de bloemlezing me veel dichter bij Pierro heeft gebracht. Neem het volgende begin van een gedicht:

E cché sùu ié, cché sùu,
cchi mirité stu chiante tue?
Nu ghiòmmere di ferre spinète
ch'è rumèse nd'u foche,
chiste sùu;

Wat ben ik toch voor een man
dat ik jouw verdriet verdiend heb?
Een kluwen prikkeldraad
achtergebleven in het vuur
dat ben ik;

Bij het geschreven Tursitaans kan ik me weinig voorstellen, maar je krijgt het gevoel dat een belangrijke kracht van Pierro de klank van zijn taal is. Ik voel die kracht niet in het Nederlands. In zijn inleiding legt Petrocelli uit dat hij in zijn prozavertaling het woord ghiommere 'kluwen' heeft weergegeven als grivoglio (prikkeldraad) omdat dit woord met zijn g's en r'en beter de klankstructuur weergeeft van het origineel. Daar hadden de Nederlandse vertalers ook voor kunnen kiezen: kluwen klinkt zachter dan prikkeldraad, en misschien in deze context inderdaad wel te slap.

Geen opmerkingen: