16.9.09

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel Net als iedereen in Leiden heb ik een trommeltje met Ilja-anekdoten. Hoe wij samen ooit het bestuur vormden van het Leids Studenten Kamer Orkest, en dit LESKO zodanig aan de rand van de afgrond brachten dat het oude bestuur ingreep. Hoe hij ooit een gedicht in mijn poesie-album schreef. Hoe aardig hij was, veel aardiger dan zijn publieke imago deed vermoeden, als hij de dames afpoeierde in de Burcht toen we daar een keer zaten bij te praten.

En nu is hij weg. Twee jaar geleden kreeg hij een nieuwe vriendin, de Russische Gelya Bogatishcheva en samen zijn ze in juni 2008 naar Rome vertrokken, op de fiets, op twee heel eenvoudige fietsen. Ilja had de zijne vlak ervoor bij de Turkse fietsenhandelaar op de Kaasmarkt gekocht, en Gelya was al een tijdje bezig op haar gele fietsje rond te rijden. Veel bagage namen ze niet mee – en zes weken later kwamen ze aan in Rome.

gedicht Ilja Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 1968) heeft nu een boek geschreven over die reis, De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Zijn vriendin is medeauteur omdat zij (heel mooie) foto's in het boek publiceert. Maar verder is het boek vooral het werk van Ilja – niet de Pfeijffer van de experimentele gedichten, of de polemische recensies, of de zelfverzekerde taalspelerige romans, maar de Ilja uit het dagelijks leven. De Ilja die nu node gemist wordt in Leiden.

De filosofie van de heuvel is vooral het verslag van een verliefdheid. Pfeijffer is verliefd op Gelya, het Russische meisje dat zo grappig is, en stoer, en kwetsbaar en wijs – en hij is verliefd op Genua, de Italiaanse stad die zo vriendelijk en smerig is, en waar de dichter en zijn vriendin onmiddellijk naar terugkeren nadat ze in Rome zijn aangekomen, om er zich te vestigen.

Door die verliefdheid is de toon van het boek vederlicht. De wereld bestaat alleen uit het verliefde paar en hooguit wat omstanders die zich erover mogen verbazen dat het mogelijk is, twee mensen die op zúlke fietsen van Leiden helemaal naar Rome fietsen en die hen om de haverklap een drankje aanbieden. Ver weg zijn de cafés Burgerzaken en De Burcht en de strijd om het Dichter der Vaderlandschap en alle luidkeels verkondigde theorieën over hoe literatuur dient te zijn. Af en toe verontschuldigt Pfeijffer zich nog wel, bijvoorbeeld over het feit dat hij in het buitenland ineens rosé is gaan drinken. Of: "Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld als de afgelopen dagen met Gelya in Genua. Als schrijver mag ik dat soort zinnen niet schrijven, ik weet het, maar het maakt me geen fuck uit want het is waar."

Voor de pfeijfferologie lijkt me vooral de vergelijking met Het ware leven. Een roman uit 2006 van belang. In dat boek figureren onder andere een veel te dikke dichter die zijn dagen slijt in Burgerzaken alsmede een vrouw met een midlifecrisis die naar Italië vertrekt om daar het ware leven en zichzelf te ontdekken. Zowel die dichter als die vrouw worden in Het ware leven nog vol spot beschreven, je kunt je na afloop van het boek niet aan de indruk onttrekken dat Pfeijffer de gedachte dat je naar Italië zou moeten om jezelf te vinden nogal belachelijk vindt als je ook in Leiden kunt blijven rondhangen. De lezer van De filosofie van de heuvelwordt overweldigd door het gevoel dat hijzelf ook zo snel mogelijk weg moet van hier, om zich in Italië te vestigen met zijn eigen lief.

Het bezwaar dat critici vaak tegen hem hadden wordt hier opgeheven en soms omgedraaid. Ik geloof dat Pfeijffer vaak een zekere leegheid werd verweten, hij speelde volgens hen wel heel mooie taalspelletjes die leidden tot fraai klinkende en technisch goed in elkaar stekende literaire werken, maar veel inhoud hadden ze niet.

Een enkele keer is De filosofie van de heuvel zelfs een beetje saai, als Pfeijffer beschrijft hij zich via welke route van het ene Franse stadje naar het andere begeeft en onderweg allerlei natuur tegenkomt waarvoor hij geen andere woorden heeft dan 'een droom'. Maar het gebruik van zo'n cliché maakt de schrijver duidelijk geen fuck meer uit, en de lezer eigenlijk ook niet. De inhoud is in sommige opzichten misschien nog steeds een beetje mager – de filosofie van de heuvel blijkt een soort boeddhisme voor beginners - maar het geluk spat van de pagina's en dat is aanstekelijk geluk, het soort simpele geluk dat bovendien binnen handbereik lijkt als je het alleen maar even wil pakken. Het soort simpele geluk waar je bovendien niet ironisch over doet, maar dat je benoemt: geluk.

Een iets langere versie van dit stukje verscheen in Forum van de Faculteit der Geesteswetenschappen, Leiden.

1 opmerking:

ijsbrand zei

Er bestaat een beroemde anekdote over ik meen de schrijver Simon Carmiggelt die ergens in de jaren vijftig ik meen zijn collega Gerard Reve uit een kroeg zag komen en vond dat de laatste er gelukkig uitzag. "Wat fijn voor die jongen", zei Carmiggelt. "En wat een ramp voor de literatuur."

Carmiggelt schrijft dit aan Reve, in een brief van 20 mei 1971; die werd opgenomen in het boekenweekgeschenk 'Mooi kado', en de uitgebreide versie 'Met de neus in de boeken'.

Normaal ben ik niet van dit soort literaire pietlutterij, maar ik las dit toevallig gisteravond.