Doorgaan naar hoofdcontent

Gert Oostindie. Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen. Amsterdam: Bert Bakker, 2010.

Gert Oostindie. Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen Toen Gert Oostindie (1955) op de lagere school zat, was hij bang dat hij ooit verliefd zou worden op een katholiek meisje. Want hoe zouden de diepe culturele kloof tussen hem als gereformeerde jongen en zo'n rooms kind ooit overbrugd kunnen worden? Dat vertelt Oostindie in het voorwoord van zijn boek Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen. Inmiddels is hij specialist in de Nederlands-Caraïbische geschiedenis, hoogleraar in Leiden, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en, alweer blijkens het voorwoord, getrouwd met een vrouw uit een van onze vroegere koloniën.

Dat voorwoord misstaat Postkoloniaal Nederland niet. Het opmerkelijkste aan dit boek is dat de toon ervan tegelijkertijd neutraal en persoonlijk is. Het onderwerp — de manier waarop Nederland in de afgelopen decennia is omgegaan met zijn koloniale verleden en met de mensen die uit de voormalige koloniën naar ons land gekomen zijn — is gevoelig. Vooral bij de postkoloniale migranten zélf, vooral van de oudere generaties, heersen nog allerlei al dan niet gerechtvaardigde emoties van teleurstelling en miskenning. Oostindie weet daar volgens mij tactvol mee om te gaan, zonder zijn kritische zin te verliezen. Een van de vele interessante observaties die hij bijvoorbeeld doet, is dat "de Nederlandse samenleving" weliswaar veel te veel voorbij gaat aan herdenkingen van belangrijke gebeurtenissen uit het koloniale verleden, maar dat omgekeerd Molukkers zich ook zelden laten zien bij een Antilliaanse plechtigheid, of Surinamers de Japanse capitulatie in Nederlands Indië komen vieren.

Sinds Postkoloniaal Nederland verscheen, is er ook wel wat kritiek gekomen; de auteur heeft deze als goed wetenschapper ook niet geschuwd. Als ik goed interpreteer wat ik daarvan op internet heb kunnen vinden, gaat dat vooral over het begrip 'postkoloniale bonus'. Oostindie oppert het idee dat immigranten uit de voormalige kolonieën een voordeel hadden boven andere immigranten omdat ze doorgaans beter bekend waren met de Nederlandse taal en cultuur. Het bezwaar daartegen lijkt te zijn dat het te veel de suggestie wekt dat Surinamers en Indonesiërs toch maar gelukkig af waren in vergelijking met andere migranten.

Je kunt daar inderdaad misschien ook wel wat op afdingen. Het is maar de vraag of je de immigranten in twee groepen kunt opdelen — de postkolonialen en de anderen — waarbij de eerste meer succesvol waren dan de tweede. Oostindie gaat zelf uitgebreid in op de problemen met Antilliaanse jongeren — al relateert hij deze voor een deel aan de problemen die deze jongeren hebben met het Nederlands, waardoor ze dus minder van de 'postkoloniale bonus' kunnen profiteren. Omgekeerd vraag ik me af of bijvoorbeeld de Turkse minderheid nu zulke vreselijk grote problemen heeft, ondanks het feit dat ze uit een cultuur komen met nauwelijks enige banden met Nederland, afgezien natuurlijk van de tulpenbol. Het begrip 'postkoloniale bonus' verheldert dus niet zo veel.

Mooi aan het boek vind ik vooral de internationale vergelijkingen, vooral met andere Europese voormalige koloniale mogendheden zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Portugal. Ik had er bijvoorbeeld nooit bij stilgestaan dat Nederland uniek is doordat het behalve een postkoloniale stroom immigranten ook een grote groep mensen uit andere landen te verwerken kreeg (terwijl in de jaren vijftig dan ook nog weer Nederlanders gestimuleerd werden naar Canada of Australië te emigreren omdat het land met negen miljoen inwoners vol leek te raken).

Bovendien heeft Nederland daarbij een splitsing die het afgelopen decennium ineens van belang geworden lijkt te zijn: de 'gastarbeiders' en hun nakomelingen zijn overwegend moslim, de postkoloniale immigranten zijn dat meestal niet. Die twee feiten hebben samen de loop van het debat sterk bepaald, toont Oostindie aan.

Een iets gewijzigde versie staat op de website van de Leidse Letterenfaculteit.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …