30.3.10

Gert Oostindie. Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen. Amsterdam: Bert Bakker, 2010.

Gert Oostindie. Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen Toen Gert Oostindie (1955) op de lagere school zat, was hij bang dat hij ooit verliefd zou worden op een katholiek meisje. Want hoe zouden de diepe culturele kloof tussen hem als gereformeerde jongen en zo'n rooms kind ooit overbrugd kunnen worden? Dat vertelt Oostindie in het voorwoord van zijn boek Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen. Inmiddels is hij specialist in de Nederlands-Caraïbische geschiedenis, hoogleraar in Leiden, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en, alweer blijkens het voorwoord, getrouwd met een vrouw uit een van onze vroegere koloniën.

Dat voorwoord misstaat Postkoloniaal Nederland niet. Het opmerkelijkste aan dit boek is dat de toon ervan tegelijkertijd neutraal en persoonlijk is. Het onderwerp — de manier waarop Nederland in de afgelopen decennia is omgegaan met zijn koloniale verleden en met de mensen die uit de voormalige koloniën naar ons land gekomen zijn — is gevoelig. Vooral bij de postkoloniale migranten zélf, vooral van de oudere generaties, heersen nog allerlei al dan niet gerechtvaardigde emoties van teleurstelling en miskenning. Oostindie weet daar volgens mij tactvol mee om te gaan, zonder zijn kritische zin te verliezen. Een van de vele interessante observaties die hij bijvoorbeeld doet, is dat "de Nederlandse samenleving" weliswaar veel te veel voorbij gaat aan herdenkingen van belangrijke gebeurtenissen uit het koloniale verleden, maar dat omgekeerd Molukkers zich ook zelden laten zien bij een Antilliaanse plechtigheid, of Surinamers de Japanse capitulatie in Nederlands Indië komen vieren.

Sinds Postkoloniaal Nederland verscheen, is er ook wel wat kritiek gekomen; de auteur heeft deze als goed wetenschapper ook niet geschuwd. Als ik goed interpreteer wat ik daarvan op internet heb kunnen vinden, gaat dat vooral over het begrip 'postkoloniale bonus'. Oostindie oppert het idee dat immigranten uit de voormalige kolonieën een voordeel hadden boven andere immigranten omdat ze doorgaans beter bekend waren met de Nederlandse taal en cultuur. Het bezwaar daartegen lijkt te zijn dat het te veel de suggestie wekt dat Surinamers en Indonesiërs toch maar gelukkig af waren in vergelijking met andere migranten.

Je kunt daar inderdaad misschien ook wel wat op afdingen. Het is maar de vraag of je de immigranten in twee groepen kunt opdelen — de postkolonialen en de anderen — waarbij de eerste meer succesvol waren dan de tweede. Oostindie gaat zelf uitgebreid in op de problemen met Antilliaanse jongeren — al relateert hij deze voor een deel aan de problemen die deze jongeren hebben met het Nederlands, waardoor ze dus minder van de 'postkoloniale bonus' kunnen profiteren. Omgekeerd vraag ik me af of bijvoorbeeld de Turkse minderheid nu zulke vreselijk grote problemen heeft, ondanks het feit dat ze uit een cultuur komen met nauwelijks enige banden met Nederland, afgezien natuurlijk van de tulpenbol. Het begrip 'postkoloniale bonus' verheldert dus niet zo veel.

Mooi aan het boek vind ik vooral de internationale vergelijkingen, vooral met andere Europese voormalige koloniale mogendheden zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Portugal. Ik had er bijvoorbeeld nooit bij stilgestaan dat Nederland uniek is doordat het behalve een postkoloniale stroom immigranten ook een grote groep mensen uit andere landen te verwerken kreeg (terwijl in de jaren vijftig dan ook nog weer Nederlanders gestimuleerd werden naar Canada of Australië te emigreren omdat het land met negen miljoen inwoners vol leek te raken).

Bovendien heeft Nederland daarbij een splitsing die het afgelopen decennium ineens van belang geworden lijkt te zijn: de 'gastarbeiders' en hun nakomelingen zijn overwegend moslim, de postkoloniale immigranten zijn dat meestal niet. Die twee feiten hebben samen de loop van het debat sterk bepaald, toont Oostindie aan.

Een iets gewijzigde versie staat op de website van de Leidse Letterenfaculteit.

Geen opmerkingen: