Doorgaan naar hoofdcontent

William Shakespeare. Julius Caesar. London: BBC, 1979 (1599).

William Shakespeare. Julius Caesar Op de middelbare school leerde ik de toespraak van Mark Anthony uit Julius Caesar uit mijn hoofd. Ik weet niet meer of dat verplicht was, of het gevolg van mijn eigen kunstliefde of uitsloverij, maar nog steeds kan ik die hele toespraak desgewenst opzeggen.

Veel verder dan dat was ik nooit gekomen, het hele stuk heb ik nooit gezien of gelezen. Ik weet niet of het in Nederland wel wordt opgevoerd, en als dat niet zo is, weet ik niet waarom niet. Hoe dit ook zij, omdat ik nu alle stukken van Shakespeare in de editie van de BBC in huis heb, moest het daar nog van komen.

Die toespraak blijft indrukwekkend - de beste toespraak ooit, sterker misschien wel dan Barack Obama. Ook de rest van het stuk gaat grotendeels over taal, over hoe gevoelens iedere kant op geboetseerd kunnen worden door taal. Op het eind wint het zwaard, doordat de samenzweerders tot de conclusie komen dat hun positie hopeloos is, maar zelfs dat is uiteindelijk een self fulfilling prophecy, gebaseerd op valse berichten en dus uiteindelijk vooral op taal. Men verliest omdat men gehoord heeft dat men verliest, en dat gelooft. Brutus blijft als laatste samenzweerder over, en verliest bijna de macht van het woord: hij vraagt verschillende bedienden om hem dood te steken, maar pas de laatste, een slaapkop genaamd Stratos, aanvaardt dat bevel.

De helden, de 'goeden' in het stuk zijn uiteindelijk natuurlijk Mark Anthony en Octavianus - al zijn dat geheel in de geest van dit stuk natuurlijk de helden omdat zij overleefden en de geschiedenis naar hun hand konden zetten. Buiten het werk van Shakespeare om weten we dat de échte Octavianus (de latere Augustus) wist wat de macht van het woord was: hij zette dichters als Horatius en Vergilius in om propaganda te maken voor zijn politiek.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …