Doorgaan naar hoofdcontent

Willem Frederik Hermans. Richard Simmillion. Amsterdam: De Bezige Bij, 2009 (2005)

Willem Frederik Hermans. Richard Simmillion Waarom heeft mijn vader meer dan vijftien jaar na zijn onderwijzersdiploma in de avonduren niets uitgevoerd? Waarom begon hij pas daarna te studeren om diploma's te halen waarmee hij een betere betrekking kon krijgen, terwijl hij eigenlijk al te oud was om nog makkelijk Frans en Duits te kunnen leren? Dat zijn de vragen die Richard Simmillion zich stelt, de held van zes min of meer autobiografische verhalen die Willem Frederik Hermans schreef.

Willem Frederik Hermans is de Freudiaan onder de Nederlandse schrijvers, de man die zijn boeken zo wilde schrijven dat ze geheel psychologisch geïnterpreteerd konden worden, voor wie het dus geen toeval was als de hoofdpersoon machteloze liefde én machteloze woede voelt jegens zijn vader. Nooit, nee, nooit, zal ik de jammerklachten vergeten over de erfenis van dertigduizend gulden in staatsobligaties — die twaalf dagen te laat kwamen omdat hij net een huis had gekocht vlak voor zijn vader stierf, en die bovendien niks waard waren, lang niet zoveel als de vader erin had geïnvesteerd. Die vader wilde indruk maken met een gigantisch geschenk, dat vervolgens volkomen waardeloos bleek — een Hermansiaans thema bij uitstek.

In het nawoord gaat Arjan Peters in op de vraag waarom het nooit tot een autobiografie gekomen is, en daarbij noemt hij keurig dat de schrijver een beetje op het genre neerkeek: een schrijver moest echt werken, en dingen verzinnen, niet maar zo'n beetje opschrijven wat hem overkwam. Verder oppert Peters dat deze rauwe fragmenten nooit zo hadden kunnen schitteren als ze in een boek ingebed waren geweest.

Ik geloof er maar weinig van. Of nou ja, laat ik het bescheidener zeggen, ik kreeg tijdens het lezen van deze verhalen een andere theorie. Die is dat Hermans veel te verlegen was om over zichzelf te beginnen. Slechts een paar keer lukte het hem om die verlegenheid te overwinnen, en zich niet helemaal achter zijn personages te verschuilen. Dat was in die Simmillion-verhalen die af en toe dan ook meteen behoorlijk op de plaatsvervangende schaamte inwerken. Ik kan me bijvoorbeeld niet herinneren ooit van iemand zo schaamteloos zijn fantasieën over een onbekommerd en egocentrisch leven (al het geld komt naar hem toegevloeid, zonder dat hij erover hoeft na te denken hoe, zijn vriendin heeft een groot huis voor hem beschikbaar en elke dag goed eten, zijn vrienden begrijpen hem volkomen en zijn bovendien enorm interessant, enz.) Maar een heel boek over zichzelf schrijven, en vooral over zijn werkelijke succes, dat had hij waarschijnlijk niet aangedurfd. Hij bleef een kleine, eenzame jongen die ervan droomde dat zijn vader hem eens zou meenemen op een uitstapje.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …