1.4.11

Ingeborg Bachmann. Paul Celan. Herzzeit. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 2009.

Ingeborg Bachmann. Paul Celan. Herzzeit Een van de treffendste brieven in deze bundel niet van een van de auteurs op de omslag, maar van Max Frisch. Frisch was de man van de dichteres Ingeborg Bachmann en Bachmann had ooit een relatie met de dichter Paul Celan — een relatie die, zo leer je uit dit boek, misschien wel nooit helemaal ophield. Bachmann en Celan waren allebei gekwelde zielen, en vooral Celan was door de oorlog, waarin zijn familie was uitgeroeid, diep gekwetst.

Op een zeker moment kreeg Celan een negatieve recensie, waarin hem steriliteit werd verweten en dat zijn gedichten net niet mooi genoeg zouden zijn, maar ook dat zijn taalgebruik misschien "verklaarbaar was door zijn afkomst". Celan reageerde als door een slang gebeten, omdat hij in dat bijzinnetje antisemitisme zag. Hij schreef daarover een brief aan allerlei mensen, waaronder aan Max Frisch, hoewel hij die nauwelijks kende.

Max Frisch vond het moeilijk om op die brief te antwoorden -- twee versies zijn opgenomen in het boek. Wat wilde Celan van hem? Vriendschap? Begrip? Frisch gaf toe dat Celans werk hem niet helemaal toegankelijk was, dat hij die vermoedens van antisemitisme wel kon delen, maar dat het tegelijkertijd toch misschien ook wel ging om kritiek op Celans werk, los van de oorlog. Celan werd hier woedend om en verbrak bijna het contact met Bachmann en Frisch.

Dat verbreken van contact was niet de eerste keer. In de 25 jaar (ongeveer) dat de correspondentie duurde, werd regelmatig het contact verbroken -- meestal door Celan, maar toch ook wel door Bachmann. Hoewel er in deze briefwisseling een heleboel te raden blijft (de meeste brieven zijn onbenullige kattebelletjes, in bepaalde perioden ging het echte contact waarschijnlijk telefonisch) krijg je de indruk dat Celan van de twee wel de moeilijkste persoonlijkheid was, onbenaderbaar. Dat het contact zo moeizaam ging had waarschijnlijk daar mee te maken, en met het feit dat ze meestal op afstand waren, telefoneren duur was, en brieven -- zoals die van Max Frisch -- snel verkeerd begrepen werden.

In 1961 eindigt het contact. In 1970 gooit Celan zich in Parijs in de Seine. Er volgen dan nog een paar briefjes tussen Bachmann en de weduwe van Celan, die toegeeft dat ze het op het laatst ook niet altijd meer wist. Paul Celan zat te vast in zijn pijn om echt te kunnen communiceren.

Je kunt je als moderne lezer wel afvragen hoe het zou zijn gegaan als e-mail en chat en goedkoop mobiel bellen eerder zouden zijn uitgevonden. (Paul Celan zou misschien nooit aan de e-mail zijn gegaan, maar dat laten we nu maar even buiten beschouwing.) Er zou in ieder geval meer contact mogelijk zijn geweest, je hoefde niet dagenlang te wachten om te constateren dat de ander niet gereageerd had. Ik weet eigenlijk niet of er daardoor beter contact geweest was. Uiteindelijk zaten de problemen toch vooral in de correspondenten zelf.

Geen opmerkingen: