Doorgaan naar hoofdcontent

Ingeborg Bachmann. Paul Celan. Herzzeit. Frankfurt am Main: Suhrkamp, 2009.

Ingeborg Bachmann. Paul Celan. Herzzeit Een van de treffendste brieven in deze bundel niet van een van de auteurs op de omslag, maar van Max Frisch. Frisch was de man van de dichteres Ingeborg Bachmann en Bachmann had ooit een relatie met de dichter Paul Celan — een relatie die, zo leer je uit dit boek, misschien wel nooit helemaal ophield. Bachmann en Celan waren allebei gekwelde zielen, en vooral Celan was door de oorlog, waarin zijn familie was uitgeroeid, diep gekwetst.

Op een zeker moment kreeg Celan een negatieve recensie, waarin hem steriliteit werd verweten en dat zijn gedichten net niet mooi genoeg zouden zijn, maar ook dat zijn taalgebruik misschien "verklaarbaar was door zijn afkomst". Celan reageerde als door een slang gebeten, omdat hij in dat bijzinnetje antisemitisme zag. Hij schreef daarover een brief aan allerlei mensen, waaronder aan Max Frisch, hoewel hij die nauwelijks kende.

Max Frisch vond het moeilijk om op die brief te antwoorden -- twee versies zijn opgenomen in het boek. Wat wilde Celan van hem? Vriendschap? Begrip? Frisch gaf toe dat Celans werk hem niet helemaal toegankelijk was, dat hij die vermoedens van antisemitisme wel kon delen, maar dat het tegelijkertijd toch misschien ook wel ging om kritiek op Celans werk, los van de oorlog. Celan werd hier woedend om en verbrak bijna het contact met Bachmann en Frisch.

Dat verbreken van contact was niet de eerste keer. In de 25 jaar (ongeveer) dat de correspondentie duurde, werd regelmatig het contact verbroken -- meestal door Celan, maar toch ook wel door Bachmann. Hoewel er in deze briefwisseling een heleboel te raden blijft (de meeste brieven zijn onbenullige kattebelletjes, in bepaalde perioden ging het echte contact waarschijnlijk telefonisch) krijg je de indruk dat Celan van de twee wel de moeilijkste persoonlijkheid was, onbenaderbaar. Dat het contact zo moeizaam ging had waarschijnlijk daar mee te maken, en met het feit dat ze meestal op afstand waren, telefoneren duur was, en brieven -- zoals die van Max Frisch -- snel verkeerd begrepen werden.

In 1961 eindigt het contact. In 1970 gooit Celan zich in Parijs in de Seine. Er volgen dan nog een paar briefjes tussen Bachmann en de weduwe van Celan, die toegeeft dat ze het op het laatst ook niet altijd meer wist. Paul Celan zat te vast in zijn pijn om echt te kunnen communiceren.

Je kunt je als moderne lezer wel afvragen hoe het zou zijn gegaan als e-mail en chat en goedkoop mobiel bellen eerder zouden zijn uitgevonden. (Paul Celan zou misschien nooit aan de e-mail zijn gegaan, maar dat laten we nu maar even buiten beschouwing.) Er zou in ieder geval meer contact mogelijk zijn geweest, je hoefde niet dagenlang te wachten om te constateren dat de ander niet gereageerd had. Ik weet eigenlijk niet of er daardoor beter contact geweest was. Uiteindelijk zaten de problemen toch vooral in de correspondenten zelf.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …