22.5.11

Piet Paaltjens. Snikken en grimlachjes. Leiden: DBNL, 2010 (1867).

Snikken en grimlachjes is voor mij misschien wel dé klassieker van de negentiende-eeuwse Nederlandse dichtkunst. Daar kwam ik achter toen ik het boek na waarschijnlijk enkele decennia weer eens las. Je kunt het zelfs bijna geen 'lezen' noemen: door een bundel heengaan die je bijna helemaal uit je hoofd kent, heeft nu eenmaal weinig gemeen met het bestuderen van een geheel nieuwe tekst. Het is moeilijk om de tekst eens als helemaal nieuw te bekijken, alle stof eraf te blazen van de twintig jaar dat ik op een verloren moment - terwijl ik in een rij sta te wachten, als ik niet slapen kan - voor mezelf zeg: "Wel menigmaal sprak de melkman / des ochtends tegen de meid: / 'De stoep is weer nat'. Ach, hij wist niet / dat er 's nachts op die stoep was geschreid." Zoiets lezen is meer een vorm van systematisch herinneren voor mij.

Ik begon aan de bundel omdat hij sinds kort als e-boek verspreid wordt in de zogenoemde Eregalerij van de Nederlandstalige literatuur. En gaandeweg begonnen me toch wel een aantal nieuwe dingen te fascineren. Hoe duidelijk Piet Paaltjens een inspiratiebron is geweest voor vele generaties Nederlandse humoristen in het door elkaar halen van het hogere en het lagere - een grote humoristische fascinatie in dit, mijn land. Net als de neiging tot mystificeren, die hij later natuurlijk nog veel grootscheepser zou botvieren in het Oera Linda Boek, dat je hier zelfs al vagelijk aangekondigd ziet in zijn ironische glorificatie van het Fries verleden.

En verder is er voor de rijpere lezer natuurlijk de vraag of je het feit dat dominee HaverSchmidt ooit zelfmoord zou plegen al aangekondigd kunt zien in deze gedichten, waarin immers regelmatig sprake is van doodsverlangen en zelfs van suïcide. Ik geloof het eigenlijk niet - het was een sfeer die natuurlijk goed paste bij de zwarte romantiek waarvan Paaltjens de Nederlandse, dus ironische, representant was.

Een aspect waarover ik ooit wel een deelstudie zou willen lezen: de Latijnse vertalingen van de gedichten die als het ware door het boek heengestrooid zijn. Ze verhogen de studentikoze sfeer, maar wat moeten ze verder? Wie was die Adriaan die ze gemaakt heeft? (Ook een mystificatie?) Wat verklaart de keuze voor welke gedichten wel of niet vertaald werden? Ik ben met Piet Paaltjens nog lang niet klaar.

Geen opmerkingen: