16.7.11

Luciano De Crescenzo. Tutti santi me compreso. Milano: Mondadori. 2011.

Luciano De Crescenzo. Tutti santi me compreso Luciano De Crescenzo is geboren in Napels in 1929, ooit opgeleid als ingenieur en sinds dertig jaar schrijft hij boeken over de klassieke mythen, de klassieke filosofie en andere onderwerpen. De boeken zijn enorm populair in Italië, en het is gemakkelijk te begrijpen waarom: De Crescenzo heeft een aangename, persoonlijke toon. Ik heb zijn nieuwste boek, Tutti santi me compreso bijvoorbeeld in een paar uur uitgelezen, terwijl ik nu toch niet echt een heel erg ervaren lezer in het Italiaans ben (dit is geloof ik mijn vierde boek ooit). En tegelijkertijd heb ik er nog wat van opgestoken ook: over enkele van de belangrijkste heiligen van de Rooms-Katholieke Kerk, want daarover gaat het boek officieel. En over hoe een slimme niet al te gelovige Italiaan tegen het geloof aankijkt, want daarover gaat het officieus.

In Tutti santi beschrijft De Crescenzo het leven van een aantal door hem geselecteerde heiligen. Daaronder zitten Grote Namen uit de heiligenwereld zoals Maria, Jozef, Johannes de Doper en Petrus en Paulus, maar ook mindere goden zoals Pacomio en Januarius van Benevento.

De beschrijving van de laatste is een van de hoogtepunten uit het boek. Januarius (San Gennaro) werd door een commissie na het Tweede Vaticaans Concilie in eerste instantie afgeschaft als heilige, omdat er te weinig over hem bekend werd. Na protesten uit Napels, waar hij allerwegen vereerd wordt, mocht hij uiteindelijk toch blijven, maar volgens De Crescenzo als een heilige uit de B-categorie, een die alleen lokaal vereerd mag worden. Volgens De Crescenzo verscheen er overal op de muren van Napels de tekst 'San Gennà, futtatenne' - Napolitaans dialect dat zoveel betekent als 'Sint Janus, laat ze stikken'. (Het is als je dit boek leest wel handig om iemand in de buurt te hebben die af en toe Napolitaans verstaat, althans, het wordt er een stuk grappiger van: De Crescenzo moet het voor de humor wel regelmatig hebben van het komische effect van de verbinding van het heilige van de heiligen en het platte van het dialect.)

Bovenal is het boek een autobiografisch verslag. De Crescenzo is inmiddels al een eind in de tachtig en je krijgt het idee dat hij begint te voelen dat dit weleens een van zijn laatste boeken zou kunnen zijn. Het gaat vaak over zijn herinneringen, aan de oorlog vooral, toen hij met zijn familie schuilde voor de Duitsers in een dorpje buiten Napels, maar het gaat ook vaak over de dood. Al die bespiegelingen verbindt hij dan op een charmante manier aan het leven van de een heilige van dienst. Van die heilige wordt dan een korte biografie gegeven, maar dat wordt slechts zelden een hagiografie – in sommige gevallen vroeg ik me in ieder geval af waarom deze heilige nu zo heilig zou zijn. De Crescenzo vertelt ook ergens dat hij slechts voor vijftig procent gelooft, wat we geloof ik zo moeten interpreteren dat hij helemaal niet echt gelooft, maar zich met de traditie en met de heiligen verbonden voelt; vooral met die van Napels.

Geen opmerkingen: