Doorgaan naar hoofdcontent

Gregson Davis. The Blackwell Companion to Horace. Oxford: Wiley-Blackwell, 2010.

Gregson Davis. The Blackwell Companion to Horace Meer dan vijfentwintig jaar geleden besloot meneer Ubachs dat Horatius mijn favoriete Latijnse dichter was. Hoewel ik achteraf betwijfel of een volledig profiel van mijn persoonlijkheid was meegenomen in dat oordeel, is het een self-fulfilling prophecy gebleken, ik ben altijd meer geīnteresseerd geweest in Horatius dan in andere dichters, ik weet daarom meer van zijn leven en werk dan van anderen, en ik kan het werk daarom beter appreciëren.

Aan de andere kant ben ik onlangs begonnen aan de tamelijk recente Nederlandse vertaling van het werk door Piet Schrijvers en ik merkte dat ik vooral voor de delen van het oeuvre dat ik niet zo goed kende - zoals de zogenoemde Epoden - wel wat meer achtergrond informatie nodig had dan dit boek gaf. Ik besloot het dan ook serieus aan te pakken en las nu, bij wijze van inleiding, de ruim 400 pagina's aan geleerde beschouwingen in The Blackwell Companion to Horace (ik ben zelf hoofdredacteur van een Blackwell Companion to Phonology).

Ik heb veel geleerd dat ik nog niet wist. Dat Horatius ook als hij geen succesvol, door Maecenas beschermd dichter was geweest, als slavenzoon waarschijnlijk tot de hoogste kringen in de Romeinse samenleving was doorgedrongen vanwege zijn grote ambtelijke kwaliteiten, en die van zijn vader. Dat zijn relatie met Maecenas en die met keizer Augustus een gecompliceerde was, en dat je die complicaties in een zorgvuldige analyse van het werk kunt terugvinden. Dat wij moderne lezers vooral getraind zijn in het lezen van romans en daarom geneigd zijn alle literaire teksten als een soort romans tegemoet te treden (vooral over dat laatste ga ik nog veel nadenken.

Af en toe moest ik natuurlijk wat wennen aan het specifieke jargon van de literatuurwetenschappers, ik lees hun werk nu eenmaal moet vaak, en ik vond ook niet alles even interessant, maar bij elkaar genomen is het toch ook interessant om te zien hoe zo'n vak toch almaar groeit en een steeds preciezer, maar nooit voltooid portret van, in dit geval, Horatius geeft.

Op school had mijn waardering voor Horatius vooral te maken met zijn vormexperimenten. Ik probeerde verschillende van die gedichten, in steeds een ander ingewikkeld metrisch patroon geschreven, vormvast in het Nederlands te vertalen. Inmiddels begin ik ook de inhoud te zien. Mijn leven zal een leven zijn met Horarius altijd ergens op de achtergrond. Met dank aan meneer Ubachs.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …