1.8.11

P.F. Thomėse. Grillroom Jeruzalem. Amsterdam: Contact, 2011.

P.F. Thomėse. Grillroom Jeruzalem Het aardige van recent verschenen boeken lezen, is dat je je oordeel een keer kunt leggen naast dat van beroepsrecensenten - mensen die voortdurend recent verschenen boeken lezen. Op een waarschijnlijk irrationele manier kijk ik altijd een beetje tegen dat soort mensen op. Die mensen moeten zo veel belezener zijn dan ik, moeten zoveel meer begrijpen van de letteren dan ik. Tegelijkertijd ben ik eigenwijs genoeg om mijn eigen oordeel niet bij het minste of geringste in het water te gooien. Dat levert soms interessante confrontaties op - interessant in ieder geval voor mijzelf.
Vlak nadat ik Grillroom Jeruzalem op mijn ereader had uitgelezen, las ik een recensie van dat boek door Marja Pruis in een oude Groene die ik op vakantie had meegenomen. Ik had me verschrikkelijk geërgerd, aan de erbarmelijke stijl, de gemakzucht, het gebrek om iets echt te zien. Pruis daarentegen vindt bijna precies het omgekeerde: "Een journalistiek genre krijgt bij Thomèse een literair gezicht."
Waar zit het verschil? Het is moeilijk te zeggen, omdat Pruis geen echte argumenten geeft. Ze prijst wel de 'gestileerde vorm', maar zegt niet waaruit die zou blijken. Ik vond de stijl juist een van de mi punten, vooral het wat rare woordgebruik (katholieken noemt hij ergens op niets af katholico's; ik neem aan dat je dat als ironie kunt zien, maar het is ironie van een bijzonder gemakzuchtige vorm.)
Er is wel een ding dat Pruis hetzelfde ziet als ik: "Waarom dan toch ingestemd met de uitnodiging [om deze reis te maken]?" Mij stoorde dat gebrek aan noodzaak enorm. De schrijver gaat op reis, maar niet alleen is er van tevoren geen noodzaak, ook gaandeweg ontwikkelt die zich niet. Hij komt wel mensen tegen, maar ontwikkelt geen menselijk contact, zonder dat dit vervolgens gethematiseerd wordt. Hij is ironisch over zijn reisgenoten, maar dan oom weer ironisch op zo'n flauwe manier. Hij ziet eigenlijk niets dan clichėbeelden. De Tweede Wereldoorlog wordt er de hele tijd bijgehaald (waarbij hij dan herhaaldelijk opmerkt dat die nog niet voorbij is) en hij ergert zich aan het geluid van muezzins?
Hoe kan mij oordeel zo anders zijn als dat van een goede lezer als Pruis? Het antwoord zit er misschien in dat zij in hetzelfde stuk een ander boek bespreekt dat ze veel slechter vindt. Misschien was het 't contrast dat dit boek mooi maakte. Ik hoef gelukkig maar zelden boeken te lezen die me niet liggen. Ik ben immers geen beroepslezer.

Geen opmerkingen: