20.8.11

Plato. Feest / Feest / Euthyfron / Sokrates' verdediging / Kriton / Faidon. Amsterdam: Athenaeum, 2009 (4e eeuw vChr.)

Plato. Feest

Vertaling: Gerard Koolschijn

Socrates moet aantrekkelijk zijn geweest voor de jonge, opstandige aristocratische jeugd van Athene. Hun toekomst, een toekomst waarin zij vanwege hun afkomst vanzelfsprekend de macht zouden hebben, was hun ontnomen door de nieuw ingestelde democratie. Hier was iemand die hun nieuwe argumenten aanreikte waarom zij de baas zouden moeten zijn - niet de adel van geboorte, maar de adel van de geest, die toevallig vooral veel voorkwam bij degenen die de eerste adel al hadden. Hier was iemand die hun redenen aanreikten om de gewone burger belachelijk te vinden, en de zittende macht ook — zij hadden geen idee hoe de zaken 'eigenlijk' in elkaar zaten —, en ook een methode om die belachelijkheid aan te tonen — de 'Socratische' methode. Hier was iemand die door de burgerij werd gehaat en die zij dus omarmden.

Socrates moet bovendien slim zijn geweest. Vijfentwintighonderd jaar na dato spat de intelligentie nog van de pagina's af. Hij had een filosofie die opstandigen van aard altijd zal aanspreken. Een belangrijke rol speelt daarbij de gedachte dat niets is zoals het in eerste instantie lijkt. De beroemde metafoor van de grot (wij leven in een grot en zien niet de werkelijkheid zelf maar slechts schaduwen ervan op de wand van de grot) komt in deze bundeling van vertalingen weliswaar niet voor, maar wel een aantal andere metaforen die erop wijzen. Bovendien is de socratische methode er natuurlijk op gebaseerd: te laten zien dat je misschien denkt dat het A is, maar dat het allemaal feitelijk -A is.

Mooi is bijvoorbeeld de gedachte dat bovenop de stratosfeer nog een laag is waarop weer andere, nog betere mensen leven, die nog vrijer zijn. Voor die mensen zijn wij wat de oceaanbewoners voor ons zijn: we bewegen ons traag voort in een wereld die constant wordt aangevreten door de lucht, zoals de zee daar beneden nog erger knabbelt.

Wie Socrates volgt, kan zichzelf dus slimmer voelen dan zijn medeburger, en dat dan vooral door toe te geven dat hij het zelf eigenlijk ook niet allemaal weet. Het valt wel te begrijpen hoe irritant dat was.

De vertaler Gerard Koolschijn heeft het ook niet zo heel erg op met Plato en Socrates. Ze waren uiteindelijk antidemocratisch, merkt hij op. Toch heeft hij deze vijf teksten, die samen een soort evangelie geven, een beschrijving van de laatste paar maanden van Socrates' leven alsmede van zijn dood, heel knap vertaald. De tekst leest alsof hij gisteren geschreven is, maar zonder hinderlijke anachronismen. Het gaat Koolschijn geloof ik vooral om het schrijverschap van Plato en dat is ook krachtig. Je krijgt het gevoel dat je nog steeds in de kring rond Socrates kunt verkeren en dat je waanwijze beschouwingen als de bovenstaande kunt ophangen alsof je er zelf bij geweest bent.

Interessant is bijvoorbeeld hoe de vorm zich spiegelt in de inhoud. De metafoor over een aarde die uit allerlei lagen bestaat waarbij de bewoners op de bodem van de oceaan, op de bodem van de aarde en op de bodem van de stratosfeer allemaal het gevoel hebben op de buitenste korst te zitten, wordt weerspiegeld in de structuur van het verhaal: Plato vertelt over wat een vriend vertelde dat Socrates zei. (En als het over de liefde gaat, brengt Socrates zelf dan weer verslag uit van wat Diotima hem geleerd heeft: dat de Liefde niet mooi is, zoals iedereen natuurlijk denkt, maar juist lelijk; en dat met een onweerstaanbare redenering.)

Ik heb Plato twintig jaar geleden gelezen en hoewel ik toen ongetwijfeld ontvankelijker zou zijn geweest voor een levende en redenerende Socrates - ik heb gelukkig een paar zwakkere afschaduwingen als leermeester gekend - was ik nog niet rijp om Plato te lezen. Ik ergerde me aan Socrates' gesprekspartners, die zo weinig tegen de goeroe wisten in te brengen. Maar inmiddels moet ik toegeven dat ik zelf vaak ook niet weet wat je precies tegen Socrates zou kunnen zeggen (gegeven bepaalde als vaststaand aangenomen principes natuurlijk). Ik zou nu zelf ook met mijn mond vol tanden staan, en Socrates zou ook een horzel zijn geworden in mijn pels.

Geen opmerkingen: