6.9.11

George Steiner. Death of tragedy. London: Faber and Faber, 2010 (1960)

George Steiner. Death of tragedy Zou de tragedie dood zijn? George Steiner dacht vijftig jaar geleden van wel. In een essay van boeklengte legde hij uit wat de oorzaken volgens hem waren. Het publiek was er niet meer: sinds de productie van boeken goedkoop geworden was, las men liever thuis een roman. De poëzie had haar kracht verloren, en in proza kun je geen tragedies schrijven omdat deze een lichte kunstmatigheid, een verhevenheid, nodig hebben. Het moderne publiek mist een common ground, een verzameling gedeelde verhalen, zoals de Griekse mythen. Maar bovenal: de moderne mens gelooft niet echt meer in een verkeerde afloop. Het christendom, de romantiek, het marxisme, allemaal propageren ze dat het nog weleens goed af zal lopen. In zo'n hopeloos optimistisch klimaat gedijt geen romanschrijver.

Zou het? Hoe het vijftig jaar geleden was, weet ik niet, maar inmiddels is de techniek alweer zo ver dat er meer tv gekeken wordt dan in romans gelezen. Toch zijn er geloof ik weinig tragedies op de tv te zien, stukken waarin het woedende noodlot rondtolt en alles verscheurt wat het voor de voeten komt. We hebben toch nog steeds alles onder controle, op de tv. Terwijl die tv ook wel degelijk zorgt voor een wereldwijde common ground, die misschien niet even diep gaat als de mythologie, maar minstens even gevarieerd is. En Shakespeare maakte per slot van rekening soms ook zijn eigen mythen.

Ook dat je inderdaad niet echt met goed fatsoen personages in blanke verzen kunt laten spreken, kan nauwelijks een reële verklaring zijn. Steiner wijst er zelf op dat Shakespeare zelf het tragisch proza ontwikkelde, bijvoorbeeld in King Lear. Bovendien worden er in films allerlei quasi-verheven registers gebruikt (denk aan Lord of the Rings) zonder dat iemand daar over lijkt te vallen.

En de romantiek en het marxisme hebben hun langste tijd gehad. Het christendom zit misschien nog wel wat dieper in onze cultuur, maar volgens mij zijn we toch ook nog wel een beetje Grieken. Kijk om je heen: de wereld stort in elkaar door hebzucht en egoïsme, mensen ontketenen krachten die ze niet beheersen en het wordt almaar duidelijker dat niemand kan garanderen dat het ooit nog goedkomt. Wat hebben we verder nodig voor een tragedie?

Misschien is het ook wel allemaal toeval, dat ook de afgelopen vijftig jaar ons geen tragedies van formaat gebracht hebben (maar wel nog steeds meer romans). Steiner wijst erop dat ook in het verleden de tragedieschrijvers vaak in plukjes kwamen, van mannen die in tijd en ruimte bij elkaar in de buurt waren: Aeschylos, Euripides, Sophocles; Shakespeare, Marlowe, Johnson; Corneille en Racine; Ibsen, Tsjechow, Strindberg. Misschien komt er wel weer zo'n clubje. Dat worden duistere tijden, maar wel plezierige.

Geen opmerkingen: