Doorgaan naar hoofdcontent

George Steiner. Death of tragedy. London: Faber and Faber, 2010 (1960)

George Steiner. Death of tragedy Zou de tragedie dood zijn? George Steiner dacht vijftig jaar geleden van wel. In een essay van boeklengte legde hij uit wat de oorzaken volgens hem waren. Het publiek was er niet meer: sinds de productie van boeken goedkoop geworden was, las men liever thuis een roman. De poëzie had haar kracht verloren, en in proza kun je geen tragedies schrijven omdat deze een lichte kunstmatigheid, een verhevenheid, nodig hebben. Het moderne publiek mist een common ground, een verzameling gedeelde verhalen, zoals de Griekse mythen. Maar bovenal: de moderne mens gelooft niet echt meer in een verkeerde afloop. Het christendom, de romantiek, het marxisme, allemaal propageren ze dat het nog weleens goed af zal lopen. In zo'n hopeloos optimistisch klimaat gedijt geen romanschrijver.

Zou het? Hoe het vijftig jaar geleden was, weet ik niet, maar inmiddels is de techniek alweer zo ver dat er meer tv gekeken wordt dan in romans gelezen. Toch zijn er geloof ik weinig tragedies op de tv te zien, stukken waarin het woedende noodlot rondtolt en alles verscheurt wat het voor de voeten komt. We hebben toch nog steeds alles onder controle, op de tv. Terwijl die tv ook wel degelijk zorgt voor een wereldwijde common ground, die misschien niet even diep gaat als de mythologie, maar minstens even gevarieerd is. En Shakespeare maakte per slot van rekening soms ook zijn eigen mythen.

Ook dat je inderdaad niet echt met goed fatsoen personages in blanke verzen kunt laten spreken, kan nauwelijks een reële verklaring zijn. Steiner wijst er zelf op dat Shakespeare zelf het tragisch proza ontwikkelde, bijvoorbeeld in King Lear. Bovendien worden er in films allerlei quasi-verheven registers gebruikt (denk aan Lord of the Rings) zonder dat iemand daar over lijkt te vallen.

En de romantiek en het marxisme hebben hun langste tijd gehad. Het christendom zit misschien nog wel wat dieper in onze cultuur, maar volgens mij zijn we toch ook nog wel een beetje Grieken. Kijk om je heen: de wereld stort in elkaar door hebzucht en egoïsme, mensen ontketenen krachten die ze niet beheersen en het wordt almaar duidelijker dat niemand kan garanderen dat het ooit nog goedkomt. Wat hebben we verder nodig voor een tragedie?

Misschien is het ook wel allemaal toeval, dat ook de afgelopen vijftig jaar ons geen tragedies van formaat gebracht hebben (maar wel nog steeds meer romans). Steiner wijst erop dat ook in het verleden de tragedieschrijvers vaak in plukjes kwamen, van mannen die in tijd en ruimte bij elkaar in de buurt waren: Aeschylos, Euripides, Sophocles; Shakespeare, Marlowe, Johnson; Corneille en Racine; Ibsen, Tsjechow, Strindberg. Misschien komt er wel weer zo'n clubje. Dat worden duistere tijden, maar wel plezierige.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …