Doorgaan naar hoofdcontent

Leo Vroman. Nee, nog niet dood. Amsterdam: Querido, 2008.

Nee, Leo Vroman is al wel oud – hij is geboren in 1915 – maar hij is gelukkig nog lang niet dood, maar leeft, en tekent en schrijft, en stuurt af en toe levensberichten uit, zoals Nee, nog niet dood, deze bundel gedichten, van 2008 alweer (toen Vroman nog veel jonger was). Daar knapt een mens van op, zeker zo'n jonkie als ik, meer dan vijftig jaar jonger dan ik. Alleen al van dat feit, dat ik dat kan zeggen, dat er iemand is die ruim vijftig jaar ouder is, word ik vrolijker.
Het is helemaal niet altijd optimistische poëzie, in tegendeel, er zijn wel veel gedichten waarin een oude dichter aan het woord is, die af en toe moe is en weemoedig:
Ik zie in mij de dood van mijn eigen poëzie min of meer als die van mij zelf in het groot. Al dat rijm, al die coupletten, wat hinderen ze mij zolang ik ze niet opzij of op sterk water kan zetten. En toch, en toch en toch ontwaar ik het wee van de wetten die mijn lichaam zich zelf heeft gesteld als waren zij altijd nog die van mijn manke sonnetten waar mijn buik zich mee ontknelt.
Het gaat hier natuurlijk om de woorden en toch, drie keer herhaald. De mededeling die erop volgt, begrijp ik niet eens zo goed, maar er zit zelfspot in (de manke sonnetten waar een buik zich mee ontknelt, zo'n sonnet hebben we toch niet net gelezen? gedverderrie), en de woorden en toch vatten sowieso het werk van Vroman goed samen. Hij heeft veel moeilijke jaren gehad, er is hem van alles overkomen, en toch is hij nog altijd bij zijn Tineke, en toch leven ze beide nog, en praten ze nog.
Er is veel in de bundel dat niet echt te begrijpen is. Het dichten is voor Vroman af en toe zoiets als dagboekschrijven, het gaat over waarschijnlijk alledaagse gebeurtenissen (er worden allerlei personen bij name in genoemd alsof je die zou moeten kennen terwijl je er nog nooit van gehoord hebt) uit het leven van de dichter, maar die zeggen de lezer natuurlijk niets. Of ze zeggen alles: ze geven een sfeer van ongehoorde intimiteit. Die bijvoorbeeld ook veroorzaakt wordt doordat het werk zo nadrukkelijk buitenliterair is, er wordt behalve naar eerder eigen werk van Vroman (het beroemde gedicht over Jeldican) voor zover ik kan zien niet verwezen naar andere schrijvers of dichters, niet positief of niet negatief. Je hebt het idee dat Vroman ook echt niets weet over de Nederlandse in Amerika. Hij leeft gelukkig nog.
(Nadat ik dit stukje schreef, las ik op internet dat Hella Haasse toevallig vandaag wel overleed. Saluut.)

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…