Doorgaan naar hoofdcontent

David Foster Wallace. Consider the lobster. New York: Little, Brown and Co

Wat moeten we nu toch met die vreselijke ironie van ons? Dat was de grote vraag van tien jaar geleden en David Foster Wallace is aan het uitgroeien tot het icoon van die vraag. Bijna alle essays in dit boek gaan, als je ze op een bepaalde manier, over die vraag. Wie ze leest, krijgt een gevoel over hoe anders alles geworden is.

Het begint met een verhaal over de porno-industrie. In het jaar 1998 bezocht Wallace de uitreiking van de 'porno-Oscars', een grootschalig evenement dat georganiseerd wordt, of werd, door een tijdschrift voor videotheken. Het essay is denk ik niet voor niets aan het begin van de bundel geplaatst — het is het meest ironische. De schrijver noemt zich consequent 'your correspondents' (het meervoud begrijp ik niet) en blijft ook verder duidelijk op afstand in deze groteske wereld van bizarre sterren en hun al even bizarre bewonderaars. In 2011, bijna vijftien jaar later, leest het allemaal als een tijdsdocument: niet alleen door die toon die Wallace aanslaat, met een afstandelijkheid waaronder duidelijk ook wat opwinding zich verschuilt, maar natuurlijk ook omdat je je afvraagt wat er met die industrie, na de enorme doorbraak van het internet, precies geworden is. Valt er nog zoveel geld te verdienen daarginder? Zou dat tijdschrift voor de videotheekhouder nog bestaan?

De essays in Consider the lobster zijn niet chronologisch geordend, maar toch zit er progressie in. Het laatste gaat over een meerdelige veelomvattende biografie van Dostojevski en daarmee vooral over twee zaken, die allebei te maken hebben met ernst en gebrek aan ironie. Allereerst is er de biograaf, die zijn leven gewijd heeft aan het nauwkeurig vastleggen van het leven van iemand anders — en daar gezien zijn ouderdom waarschijnlijk niet mee zal klaar komen. Maar vooral gaat het over Dostojewski, en hoe zijn personages zich konden laten meeslepen in hun emoties op een manier die een moderne schrijver niet meer zou aandurven en een moderne lezer niet meer zou accepteren. Valt er nog wel iets groots te schrijven met zoveel afstandelijkheid?

Essays zijn natuurlijk de ideale vorm om deze kwestie te behandelen, want essays hebben bijna vanzelf al iets afstandelijks. De stukken in Consider the lobster zijn echt klassieke essays, moderne pendanten van het werk van Montaigne: ze meanderen tamelijk onbekommerd van de ene gedachte naar de andere en soms weer terug — dat laatste werkt vooral in de langere essays soms een beetje op de zenuwen omdat een en dezelfde gedachte daardoor over een heel essay wordt uitgesmeerd, steeds weer terugkomt en dan weer wegzakt. Maar juist doordat er door het hele boek een wanhopige zoektocht zit naar serieuziteit en tegen de ironie en het cynisme — zo reist de schrijver in 2000 mee met John McCain in diens verkiezingscampagne en vraagt zich steeds af in hoeverre deze man, die toch echt onmiskenbaar een oncynische oorlogsheld is, niet tegelijkertijd een gehaaide politicus kan zijn, zo trekt hij op 11 september 2001 naar de huiskamer van een oudere dame 'uit zijn kerk' om de verbijstering van die alledaagse, 'eerlijke, hardwerkende' kant van Amerika te beschrijven, zo verdiept hij zich in de psychologie van toptennister Tracy Austin om te concluderen dat de kwaliteit van een topsporter er misschien wel ingelegen is dat zij volkomen in het moment kan leven en alle clichés zonder bijgedachten kan accepteren als waar. Ook het titelessay is (natuurlijk) veelzeggend: een verhaal voor een tijdschrift over eten over een festival in Maine waar je onbeperkt kreeft kunt eten dat uitdraait op een poging goed te begrijpen of een kreeft pijn kan voelen als hij levend gekookt wordt.

Op een bijzondere manier interessant voor mij, in het dagelijks leven en ook daarbuiten taalkundige, is de 60 pagina's lange recensie van een boek over goed-of-fout-taalgebruik. Wallace keert zich in die recensie eerst tegen de 'descriptivisten', die vinden dat je niets kunt voorschrijven in taal, maar alleen de werkelijkheid kunt beschrijven (de ironici van de taal), en bekent zichzelf juist wel als een 'prescriptivist', die vindt dat er zaken moeten worden voorgeschreven. Als hij die positie onderzoekt wordt hij echter steeds gecompliceerder: hij komt erachter dat een mens eigenlijk vooral verschillende taalregisters moet leren bespelen: dat een kind dat alleen correcte standaardtaal spreekt, op het schoolplein even slecht af is als zijn leeftijdsgenoot die alleen dialect spreekt in het klaslokaal. Dat mensen het 'correcte' Engels eigenlijk vooral moeten leren omdat het nu eenmaal de taal van de rijken is — een positie die niet zo heel veraf ligt van die van de meeste descriptivisten. Ook hier gaat het weer om ernst, om het zoeken van een positie in een debat, een echte serieuze, te verdedigen positie. Het essay eindigt dan ook met lof voor de auteur van de stijlgids, omdat deze een manier heeft gevonden om een natuurlijke autoriteit te zijn — door zakelijk te zijn, door de lezer duidelijk te maken waar hij zijn argumenten op baseert. Door serieus te zijn.

Er is zes jaar na het verschijnen van Consider the lobster veel veranderd. Er is een crisis gekomen die geloof ik wereldwijd de toon minder ironisch gemaakt heeft. David Foster Wallace heeft zichzelf van het leven beroofd, zodat hij voor altijd de schrijver zal blijven van de zoektocht naar de ernst en ons nooit meer van zijn eigen grote, ernstige werk kan laten genieten.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…