28.10.11

David Foster Wallace. Consider the lobster. New York: Little, Brown and Co

Wat moeten we nu toch met die vreselijke ironie van ons? Dat was de grote vraag van tien jaar geleden en David Foster Wallace is aan het uitgroeien tot het icoon van die vraag. Bijna alle essays in dit boek gaan, als je ze op een bepaalde manier, over die vraag. Wie ze leest, krijgt een gevoel over hoe anders alles geworden is.

Het begint met een verhaal over de porno-industrie. In het jaar 1998 bezocht Wallace de uitreiking van de 'porno-Oscars', een grootschalig evenement dat georganiseerd wordt, of werd, door een tijdschrift voor videotheken. Het essay is denk ik niet voor niets aan het begin van de bundel geplaatst — het is het meest ironische. De schrijver noemt zich consequent 'your correspondents' (het meervoud begrijp ik niet) en blijft ook verder duidelijk op afstand in deze groteske wereld van bizarre sterren en hun al even bizarre bewonderaars. In 2011, bijna vijftien jaar later, leest het allemaal als een tijdsdocument: niet alleen door die toon die Wallace aanslaat, met een afstandelijkheid waaronder duidelijk ook wat opwinding zich verschuilt, maar natuurlijk ook omdat je je afvraagt wat er met die industrie, na de enorme doorbraak van het internet, precies geworden is. Valt er nog zoveel geld te verdienen daarginder? Zou dat tijdschrift voor de videotheekhouder nog bestaan?

De essays in Consider the lobster zijn niet chronologisch geordend, maar toch zit er progressie in. Het laatste gaat over een meerdelige veelomvattende biografie van Dostojevski en daarmee vooral over twee zaken, die allebei te maken hebben met ernst en gebrek aan ironie. Allereerst is er de biograaf, die zijn leven gewijd heeft aan het nauwkeurig vastleggen van het leven van iemand anders — en daar gezien zijn ouderdom waarschijnlijk niet mee zal klaar komen. Maar vooral gaat het over Dostojewski, en hoe zijn personages zich konden laten meeslepen in hun emoties op een manier die een moderne schrijver niet meer zou aandurven en een moderne lezer niet meer zou accepteren. Valt er nog wel iets groots te schrijven met zoveel afstandelijkheid?

Essays zijn natuurlijk de ideale vorm om deze kwestie te behandelen, want essays hebben bijna vanzelf al iets afstandelijks. De stukken in Consider the lobster zijn echt klassieke essays, moderne pendanten van het werk van Montaigne: ze meanderen tamelijk onbekommerd van de ene gedachte naar de andere en soms weer terug — dat laatste werkt vooral in de langere essays soms een beetje op de zenuwen omdat een en dezelfde gedachte daardoor over een heel essay wordt uitgesmeerd, steeds weer terugkomt en dan weer wegzakt. Maar juist doordat er door het hele boek een wanhopige zoektocht zit naar serieuziteit en tegen de ironie en het cynisme — zo reist de schrijver in 2000 mee met John McCain in diens verkiezingscampagne en vraagt zich steeds af in hoeverre deze man, die toch echt onmiskenbaar een oncynische oorlogsheld is, niet tegelijkertijd een gehaaide politicus kan zijn, zo trekt hij op 11 september 2001 naar de huiskamer van een oudere dame 'uit zijn kerk' om de verbijstering van die alledaagse, 'eerlijke, hardwerkende' kant van Amerika te beschrijven, zo verdiept hij zich in de psychologie van toptennister Tracy Austin om te concluderen dat de kwaliteit van een topsporter er misschien wel ingelegen is dat zij volkomen in het moment kan leven en alle clichés zonder bijgedachten kan accepteren als waar. Ook het titelessay is (natuurlijk) veelzeggend: een verhaal voor een tijdschrift over eten over een festival in Maine waar je onbeperkt kreeft kunt eten dat uitdraait op een poging goed te begrijpen of een kreeft pijn kan voelen als hij levend gekookt wordt.

Op een bijzondere manier interessant voor mij, in het dagelijks leven en ook daarbuiten taalkundige, is de 60 pagina's lange recensie van een boek over goed-of-fout-taalgebruik. Wallace keert zich in die recensie eerst tegen de 'descriptivisten', die vinden dat je niets kunt voorschrijven in taal, maar alleen de werkelijkheid kunt beschrijven (de ironici van de taal), en bekent zichzelf juist wel als een 'prescriptivist', die vindt dat er zaken moeten worden voorgeschreven. Als hij die positie onderzoekt wordt hij echter steeds gecompliceerder: hij komt erachter dat een mens eigenlijk vooral verschillende taalregisters moet leren bespelen: dat een kind dat alleen correcte standaardtaal spreekt, op het schoolplein even slecht af is als zijn leeftijdsgenoot die alleen dialect spreekt in het klaslokaal. Dat mensen het 'correcte' Engels eigenlijk vooral moeten leren omdat het nu eenmaal de taal van de rijken is — een positie die niet zo heel veraf ligt van die van de meeste descriptivisten. Ook hier gaat het weer om ernst, om het zoeken van een positie in een debat, een echte serieuze, te verdedigen positie. Het essay eindigt dan ook met lof voor de auteur van de stijlgids, omdat deze een manier heeft gevonden om een natuurlijke autoriteit te zijn — door zakelijk te zijn, door de lezer duidelijk te maken waar hij zijn argumenten op baseert. Door serieus te zijn.

Er is zes jaar na het verschijnen van Consider the lobster veel veranderd. Er is een crisis gekomen die geloof ik wereldwijd de toon minder ironisch gemaakt heeft. David Foster Wallace heeft zichzelf van het leven beroofd, zodat hij voor altijd de schrijver zal blijven van de zoektocht naar de ernst en ons nooit meer van zijn eigen grote, ernstige werk kan laten genieten.

Geen opmerkingen: