Doorgaan naar hoofdcontent

Allard Schröder. Het meisje met de afstandsbediening. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011

Er wordt een spelletje met ons gespeeld. Op het omslag van Het meisje met de afstandsbediening staat een tekst waarin onder andere staat: "Allard Schröder heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, novellen, verhalen, vertalingen en essays. [...] Schröders poëzie is tegelijk ernstig en vrolijk, maar altijd lyrisch geschreven in een breed scala van stijlen en thema's, die onder de soepele pen van de ervaren auteur tot een eenheid zijn gesmeed."

Dat moet een parodie zijn, met die soepele pen van de ervaren auteur en dat tegelijk ernstig en vrolijk, maar altijd lyrisch. Dat kan een mens toch niet allemaal serieus menen, zoveel oubolligheid bij mekar, en dan tegelijk ook nog bij een gerenomeerde (om niet te zeggen: ervaren) literaire uitgever als De Bezige Bij werken?

En dan het nawoord, waarin de dichter dingen zegt als 'In al die jaren dat ik proza en essays schreef, heb ik ook wel eens een gedicht gemaakt, meestal op momenten dat ik niets dringends om handen had of gewoon omdat het andere werk even niet wilde vlotten.' Wie schrijft er zoiets? En dan de toespraak die Kees 't Hart hield bij het verschijnen van deze bundel en waarin hij doet alsof dit een soort ironie is en Schr&oul;der feitelijk de belangrijkste dichter die er rondloopt.

Ik kan het allemaal niet plaatsen. De gedichten lezen helemaal niet als het werk van een zeer belangrijk dichter en belangrijker nog: ook niet als werk van iemand die dat pretendeert te zijn. De gedichten zijn allemaal leesbaar, zeker, en soms ook fraai. Mijn favoriet is het 'Supermarktgedicht':

Supermarktgedicht

Eindeloze rijen bomen in blik daar blinkend staan,
waar traag het karretje langs de schappen rijdt
waar cornflakes, bruine suiker, sudderlappen
tot aan wollig witbrood en de doodvermoeide moeder:
haar handen bij de fijne vleeswaren op de tast,[...]

De vorm is heel klassiek, het zou een satire van Horatius kunnen zijn, en de inhoud modern, zonder ironisch te worden. Ironisch wordt Schröder sowieso niet in deze gedichten, voor zover ik kan nagaan, en klassiek is hij vaak. In het nawoord legt hij uit dat sommige gedichten ontstonden als vingeroefeningen bij het vertalen van Latijnse dichters en dat geloof ik graag (al vind ik de gedichten die hij dan aanwijst niet de sterkste in de bundel.) Al met al is het een prettige bundel met mooie gedichten. Hoe moeten we dan de vreemde toon van het omslag en het nawoord verklaren? Ik neem aan dat 't Hart zelf ironisch was toen hij dat nawoord zo begon te interpreteren, dat hem zelf die vreemde, ouderwetse toon zelf ook was opgevallen. Zou Schröder zich een beetje schamen voor deze gedichten en daardoor zo vreemd gaan doen? Ik zou ook eens kennis moeten nemen van zijn proza, maar in ieder geval kan hij met deze gedichten heus voor de dag komen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …