16.11.11

Allard Schröder. Het meisje met de afstandsbediening. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011

Er wordt een spelletje met ons gespeeld. Op het omslag van Het meisje met de afstandsbediening staat een tekst waarin onder andere staat: "Allard Schröder heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, novellen, verhalen, vertalingen en essays. [...] Schröders poëzie is tegelijk ernstig en vrolijk, maar altijd lyrisch geschreven in een breed scala van stijlen en thema's, die onder de soepele pen van de ervaren auteur tot een eenheid zijn gesmeed."

Dat moet een parodie zijn, met die soepele pen van de ervaren auteur en dat tegelijk ernstig en vrolijk, maar altijd lyrisch. Dat kan een mens toch niet allemaal serieus menen, zoveel oubolligheid bij mekar, en dan tegelijk ook nog bij een gerenomeerde (om niet te zeggen: ervaren) literaire uitgever als De Bezige Bij werken?

En dan het nawoord, waarin de dichter dingen zegt als 'In al die jaren dat ik proza en essays schreef, heb ik ook wel eens een gedicht gemaakt, meestal op momenten dat ik niets dringends om handen had of gewoon omdat het andere werk even niet wilde vlotten.' Wie schrijft er zoiets? En dan de toespraak die Kees 't Hart hield bij het verschijnen van deze bundel en waarin hij doet alsof dit een soort ironie is en Schr&oul;der feitelijk de belangrijkste dichter die er rondloopt.

Ik kan het allemaal niet plaatsen. De gedichten lezen helemaal niet als het werk van een zeer belangrijk dichter en belangrijker nog: ook niet als werk van iemand die dat pretendeert te zijn. De gedichten zijn allemaal leesbaar, zeker, en soms ook fraai. Mijn favoriet is het 'Supermarktgedicht':

Supermarktgedicht

Eindeloze rijen bomen in blik daar blinkend staan,
waar traag het karretje langs de schappen rijdt
waar cornflakes, bruine suiker, sudderlappen
tot aan wollig witbrood en de doodvermoeide moeder:
haar handen bij de fijne vleeswaren op de tast,[...]

De vorm is heel klassiek, het zou een satire van Horatius kunnen zijn, en de inhoud modern, zonder ironisch te worden. Ironisch wordt Schröder sowieso niet in deze gedichten, voor zover ik kan nagaan, en klassiek is hij vaak. In het nawoord legt hij uit dat sommige gedichten ontstonden als vingeroefeningen bij het vertalen van Latijnse dichters en dat geloof ik graag (al vind ik de gedichten die hij dan aanwijst niet de sterkste in de bundel.) Al met al is het een prettige bundel met mooie gedichten. Hoe moeten we dan de vreemde toon van het omslag en het nawoord verklaren? Ik neem aan dat 't Hart zelf ironisch was toen hij dat nawoord zo begon te interpreteren, dat hem zelf die vreemde, ouderwetse toon zelf ook was opgevallen. Zou Schröder zich een beetje schamen voor deze gedichten en daardoor zo vreemd gaan doen? Ik zou ook eens kennis moeten nemen van zijn proza, maar in ieder geval kan hij met deze gedichten heus voor de dag komen.

Geen opmerkingen: