9.11.11

Lucebert. op mijn rug rust de wind. drie voordrachten uit 1949. Rimburg: Huis Clos, 2011

Met mijn vriend W. heb ik het de afgelopen maanden veel over waanzin gehad. Een gek - een psychoot om precies te zijn? - ziet de wereld anders, maar wat betekent dat? Om te beginnen weet niemand wat de werkelijkheid is. Hoe langer en dieper je nadenkt over de eenvoudigste dingen – de tijd, de ruimte, de taal – hoe duidelijker het wordt dat we eigenlijk niets begrijpen en niets weten. Normaal zijn betekent volgens W.: je daarom vasthouden aan conventies. Je observeert de klok en de kalender en je pretendeert daarmee, ook voor jezelf, dat je daarmee weet wat tijd is, ja, deze zelfs onder controle hebt.

Waanzin betekent dat je die conventies om wat voor reden dan ook verliest. Je spiegelt je gedachten niet meer aan die van anderen, je komt ineens los te staan, en komt in het moeras van de onzekerheid. Meteen beginnen gekken hun eigen zekerheden te creëren, die los staan van de conventionele: dat is de waanzin. De mystiek lijkt in deze visie veel op de waanzin: ook daar raak je los van al die conventies en kom je terecht in de absolute vrijheid.

In eerste instantie spraken we vooral over dit onderwerp omdat W. er een boek over aan het schrijven is. Inmiddels is het mij beginnen te fascineren. En zoals dat gaat: ineens zie ik overal bevestiging voor die stelling van W.

Ik kocht zondag op een boekenbeurs bijvoorbeeld op mijn rug rust de wind, een fraai uitgegeven boekje met drie nog niet eerder uitgegeven lezingen van Lucebert aan het eind van de jaren veertig. Vooral in de laatste lezing, die hij gaf voor studenten van de Rietveld Academie (die toen nog niet zo heette) geeft Lucebert een fascinerend inkijkje in zijn denken over zijn eigen poëzie. Er zijn hemelse dichters, zegt hij, en aardse dichters. Maar er zijn ook helse dichters, dichters van het riool:

"Wij hebben uiterst geraffineerd hygiënisch ingerichte wc's, maar we hangen er het liefst verjaarskalenders in op om toch vooral de tijd en de economie niet te vergeten. De riolen, in godsnaam natuurlijk, blijven buiten ons gezichtsveld, we zijn als de dood zo bang voor de riolen, ik zeg, als de dood zo bang. Want in de onderwereld, in de hel alleen heeft eenieder de kans de duivel of zijn dood z'n nek om te draaien. Daarboven, boven de riolen, in de geordende samenleving, hoor je alleen maar de centen rammelen.

In een begeleidend essay wijst de Lucebert-kenner Jan Oegema erop hoe dicht Lucebert hiermee in d buurt van Kierkegaard en de mystiek komt, maar voor hetzelfde geld kun je zeggen: in de buurt van de waanzin en mijn vriend W. Zelfs de kalenders waar we ons aan vastgrijpen (en de centen, ook zo'n conventie waarvan we met zijn allen doen alsof het echt iets is dat in de plaats kan staan van het ongrijpare begrip waarde) ontbreken niet. En daarmee wordt inderdaad ineens ook veel duidelijk over de poëzie van Lucebert, die almaar, almaar los wil breken van alle orde, terug de mystiek in, terug de waanzin in.

Geen opmerkingen: