5.12.11

Jeroen Brouwers. Mijn Vlaamse jaren. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.

Deze week bestaat het Vlaamse tijdschrift Over taal vijftig jaar en ik ga daarom in Gent iets vertellen over hoe er in Nederland vijftig jaar lang naar de taal in Vlaanderen gekeken is. Ter voorbereiding daarop las ik Jeroen Brouwers.

Dat viel niet mee.

In de jaren zestig en zeventig bestond er nog geen internet. Wat moest men toen met de sentimenten die je nu overal in het commentaar-doosje onder willekeurig welk artikel kwijt kan? Men noemde die polemiek en publiceerde hem in kranten of bij De Arbeiderspers. Zowel schrijver als lezer kregen dan het prettige gevoel dat er iemand eens even flink de waarheid werd gezegd, zonder dat de aanleiding nu verder zo vreselijk belangrijk was. Bovendien: het was 'mooi' opgeschreven, en dus diende je ook nog een hoger cultureel doel met je leedvermaak.

De eerste twee delen van Mijn Vlaamse jaren ('Groetjes uit Brussel' en 'Zonder trommels en trompetten') zijn nog saai, al bieden ze een aardig inkijkje in de geest van de polemist: iemand die in de jaren zestig in Brussel rondloopt en helemaal gedrenkt is in de literatuur: kijk, op deze hoek rookte Elschot een sigaretje, en daar haalde Greshoff zijn neus op, en Siegfried van Praag woont hier om de hoek, al heb ik hem nog nooit ontmoet. Wat is dat voor geestesgesteldheid - dat je van literatuur houdt, maar alleen van Nederlandse literatuur? Over een schrijver in enige buitenlandse taal hoor je hem niet, vol als hij is van Ter Braak en Du Perron en Hermans en Mulisch.

Wie in zo'n klein wereldje leeft, moet het op zeker moment ook wel benauwd krijgen. Dat gebeurt dan ook tien jaar later, als Brouwers flink om zich heen begint te meppen in een 'pamflet' tegen Julius Weverbergh, uitgever en schrijver. Brouwers werkte jarenlang voor hem; zijn werk was kennelijk om het Nederlands van Vlaamse schrijvers te corrigeren. Dit is ook meteen zo'n beetje de polemische strekking van het geschrift: dat Vlaamse schrijvers kennelijk gecorrigeerd moeten worden.

Waarom dit zo vreselijk erg is, wordt niet toegelicht. Zelfs als Brouwers niet overdrijft, en hele stukken door redacteuren herschreven moeten worden, is niet meteen duidelijk wie daar dan precies het slachtoffer van is. De lezers hebben een mooi boek, dat ze lekker kunnen lezen. Als dit mooie boeken opleverde, wie maalt daar dan om? Hooguit kan degene die herschreven heeft, zich miskend voelen omdat zijn naam niet op de kaft staat. Als ik het goed zie was dat voor Brouwers ook het grote probleem, dat Jos Vandeloo bejubeld werd, en hij niet.

Maar als ik ook even gemeen mag zijn: volgens mij had Brouwers beter herschrijver kunnen blijven. Voor zover ik zijn werk ken, is hij typisch iemand voor zo'n positie: veel inhoud heeft hij niet, maar hij kan wel alles wat er gezegd moet worden op twintig verschillende manieren opschrijven. Dat laat hij onder andere in dit boek zijn: het zijn allemaal stijloefeningen, dan weer eens een passage van Multatuli, dan weer een van Hermans. Dat gecombineerd met de inhoud van, pakweg, Jos Vandeloo, had heel veel mooie boeken moeten opleveren. Helaas heeft Brouwers zijn talent vermorst doordat hij zijn eigen naam zo graag ook op de kaft van boeken wilde zien verschijnen.

Had het internet in de jaren zeventig al bestaan, dan had Brouwers gewoon voor Weverbergh kunnen blijven werken, om zich 's avonds anoniem uit te leven op zijn eigen weblog, of dat van iemand anders.

1 opmerking:

K. Artman zei

Na het lezen van uw stukje ben ik blij dat er in de jaren '70 nog géén internet was. Dan had ik het veel moeilijker gehad om al zijn geweldige papieren boeken te lezen èn herlezen. Wie heeft overigens een 'verhaal' nodig als je zo'n talige kunstenaar bent als Brouwers? In het beste geval doet het je wegdromen, maar soms leidt het ook gewoon àf van de literatuur. En wat mij betreft: elke keer weer is het likkebaarden, fijnproeven en genieten! Maar misschien heeft het ook wel met persoonlijke smaak te maken... ;-)