23.12.11

Karl Popper. The open society and its enemies. Princeton UniversityPress, 1971.

Boeken kun je om allerlei redenen lezen. Om de tijd te verdrijven. Om je blikveld te verbreden. Om ontroerd te raken. Maar het mooiste wat een boek kan bereiken is vast: dat het je wereld blijvend verandert.

The open society is wat mij betreft zo'n boek. Met een heleboel was ik het bij voorbaat al eens - bijvoorbeeld met de gedachte dat wetenschappelijke theorieën nooit meer kunnen zijn dan voorlopige benaderingen van de werkelijkheid - maar dat ik het ermee eens was komt misschien door de heilzame invloed die Popper op mijn eigen leraren gehad heeft.

Maar er waren ook een aantal punten waarop ik me door Popper heb laten overtuigen. Ik had bijvoorbeeld nog nooit eerder zo'n heldere uiteenzetting gelezen over waarom we wat er in de samenleving gebeurt, niet zonder meer kunt reduceren tot de psychologie van de individuele leden van die samenleving (net zo min als je per ze die psychologie kunt reduceren tot de neuronen van het individu).

Een ander punt waarop ik me heb laten overtuigen is dat je eigenlijk geen hooggestemde idealen moet hebben, in de politiek noch in bijvoorbeeld het onderwijs. In het eerste geval is het beter om te proberen zoveel mogelijk leed en ellende op te lossen en te voorkomen. En ook in het tweede geval is het al moeilijk genoeg om zo min mogelijk leed aan te richten bij de jonge eisen die onder je hoede zijn om een en ander ook nog eens te laten verpesten door de wens om hun 'persoonlijkheid volledig te ontplooien'.

Ik wil niet zeggen dat ik het tot vorige week met deze stellingen oneens ben geweest. Ik wil alleen zeggen dat ik ze voortaan in discussies actief zal verdedigen.

Het meest heb ik geleerd en genoten van de toon van het book: het persistent insisteren op rationaliteit, het voortdurend proberen om andermans én je eigen argumentatie zo veel mogelijk aan de oppervlakte te brengen en kritisch te bezien, het gevoel dat je krijgt dat je nergens voor moet terugdeinzen, al is het maar omdat je als individu toch nooit de waarheid in pacht kunt hebben, omdat de waarheid altijd alleen maar in samenspraak en kritisch debat aan de oppervlakte benaderd kan worden.

Ik heb het idee dat Popper langzaam maar zeker in de vergetelheid raakt. Dat komt misschien door zijn radicale afkeer van alle charisma. Hij is nog wel bekend om zijn wetenschapsopvatting, al wordt ook deze geloof ik door sommigen als 'achterhaald' beschouwd (zonder dat duidelijk wordt waardoor het dan precies achterhaald zou zijn). Mij lijkt hij ook als politiek denker, en zelfs als denker over moraliteit, nog altijd van groot belang.

2 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

Weerleggingen van Popper?

Karl Popper zegt: een uitspraak is pas wetenschappelijk als het de voorwaarde expliciteert voor zijn eigen weerlegging, volgens de formule: ‘Als dit niet blijkt te kloppen, dan deugt mijn theorie niet.’ Een uitspraak moet kunnen gefalsifieerd worden. Duikt er een uitzondering op, dan dient de ‘wet’ onmiddellijk afgevoerd.

Hans van Maanen wijst in zijn boek 'Het kerkhof van de wetenschap' op de manco’s van deze aantrekkelijke theorie. De geschiedenis van de natuurwetenschap toont dat er bij het verwerpen van een theorie, zo blijkt wel uit voorbeelden als flogiston, ether en warmtestof, meer komt kijken dan alleen de foute voorspelling. De theorie kan worden bijgesteld, de waarnemingen kunnen worden betwijfeld, de competentie van de onderzoekers kan ter discussie worden gesteld, enzovoort. Om een standpunt te verdedigen zijn er altijd wel argumenten te vinden, en wetenschap omvat heel wat meer dan alleen weerlegbare uitspraken waarover puur rationeel onderhandeld kan worden. Als dat niet zo was, waren we snel uitgepraat, zegt Van Maanen.

Ook Jaap van Heerden gaat in 'Schrikbewind der verzinsels' in op de onttakeling van Poppers theorie. In de wetenschap laat men zich immers weinig gelegen liggen aan tegenvoorbeelden, zegt hij. En een negatieve uitkomst kan ook geïnterpreteerd worden als weerlegging van de veronderstelling dat de omstandigheden, waaronder het experiment werd uitgevoerd, optimaal waren. Theorieën worden niet aan het risico van weerlegging blootgesteld maar juist zo lang mogelijk tegen dat risico beschermd. En er is nog een probleem, zegt Van Heerden:

"Maar stel je voor dat je een zwarte zwaan vindt, waarom zou je gebonden zijn aan de afspraak dat deze geldt als een weerlegging. Ineens wordt de verleiding levensgroot jezelf uit te roepen tot de ontdekker van een nieuwe vogelsoort."

Popper, kortom, schetste een ideaalbeeld. Maar wetenschap is mensenwerk.

Marc van Oostendorp zei

Ja, dat lees je wel vaker, dat de wetenschsfilosofie inmiddels achterhaald zou zijn, omdat we inmiddels weten dat de wetenschap zo niet werkt. Ik geloof dat die kritiek, die deels natuurlijk correcte aanbevelimgen bevat, voorbijgaat aan het feit dat Popper het, in navolging van zijn opponenten in de Weense school, als zijn primaire taak zag te beschrijven wat een wetenschappelijke theorie onderscheidt van metafysica. Hij heeft (daarmee) juist ook heel sterk naar voren gebracht dat wetenschappelijkheid vooral een eigenschap is van een sociaal proces, niet van een resultaat. Dat de Nederlandse denkers Van Maanen en Van Heerden hier aanvullingen op hebben, zou hem niet per ze uit het veld slaan.

Voor Popper was iedere theorie uiteindelijk slechts een benadering van de werkelijkheid. Dat impliceert ook dat je een theorie niet per ze verlaat vanwege een tegenvoorbeeld, al begint op dat moment wel de zoektocht naar een betere theorie.

Maar nu gaat het toch weer over de wetenschapsfilosofie!