25.1.12

Christopher Johnson. Microstyle. The art of writing little. New York: Norton, 2010

Lange tijd was taal vooral een kwestie van 'goed' en 'fout', zegt Christopher Johnson. Mensen dachten na over taal wanneer ze gingen schrijven, en ze schreven alleen in situaties waarin ze werden beoordeeld: op school, bij sollicitatiebrieven. Correctheid werd daardoor automatisch de belangrijkste eis die aan taal werd gesteld.

Langzaam maar zeker verandert dit volgens Johnson. Mensen schrijven zoveel, op internet, op hun mobiele telefoon, op Twitter, enzovoort, dat correctheid er steeds minder toe doet, en gaandeweg vervangen wordt door een ander criterium: effectiviteit. En omdat het overal om ons heen zo krioelt van allerlei teksten, omdat we gaandeweg steeds meer leven in een aandachtseconomie waaraan er zo'n aanbod is aan taal dat er een gebrek is aan menselijke aandacht, betekent effectiviteit vooral: in kort bestek de aandacht trekken en vasthouden. Dat gebeurt in merknamen, in tweets, in sms-berichten, in krantenkoppen en reclameslogans: een goede moderne stijl is daarom een microstijl.

Dat correctheid en effectiviteit soms tegengestelde eisen stellen, blijkt alleen al uit allerlei moderne merknamen: Google en Flickr zijn 'incorrect' (het moet 'eigenlijk' googol en flicker zijn) en daardoor zijn ze zo effectief. Johnson, die zelf voor een Amerikaans merknamenbureau werkt (dat onder andere BlackBerry bedacht) legt die verandering uit en geeft een heleboel praktische tips over hoe je in heel kort bestek een boodschap kwijt kunt: niet alleen als bedrijf, maar ook als burger op de digitale media. Hoe maak je zo effectief mogelijk gebruik van dubbelzinnigheid, van klankeffecten of van zinsbouw om ieder lettertje betekenis te geven en het geheel tegelijkertijd in één oogopslag duidelijk te laten zijn: als romans woordenschilderijen zijn en wetenschappelijke artikelen technische tekeningen, dan zijn microberichten zoals infographics.

Tussen neus en lippen door wordt de lezer ook nog het een en ander aan taalwetenschap bijgebracht, want Johnson is in dat vak in Berkeley gepromoveerd. De meeste dingen legt hij wel aardig uit, maar het is een beetje storend dat hij af en toe uitlegt waarom de ene taalkundige school (die van Berkeley) het wel bij het rechte eind heeft, en een andere (die van ergens anders) niet. Daar heeft de lezer niet zo'n boodschap aan lijkt mij en zulke overbodigheden snijdt de ware microstilist dan ook liever weg.

Geen opmerkingen: