28.1.12

Jeanine Daems en Ionica Smeets. Ik was altijd heel slecht in wiskunde. Amsterdam: Nieuwezijds, 2011.

Nu ik Ik was altijd heel slecht in wiskunde van Jeanine Daems en Ionica Smeets gelezen heb, denk ik dat ik een wiskundemeisje ben, geboren in een verkeerd lichaam — dat van een ouwe taalman. Wat een jaloersmakend lekker blader- en snuffel- en piekerboek hebben Daems en Smeets, die al meer dan vijf jaar actief zijn met het populariseren van de taalwetenschap, samengesteld! Het is heerlijk om te lezen, wat moet het leuk zijn geweest om het te maken.

In sommige opzichten is dit meer een tijdschrift of een website dan een boek: de organisatie is nogal losjes. Er zijn hoofdstukken die om bepaalde thema's gecentreerd zijn, zoals 'getallen' en 'vriendschap', maar ieder hoofdstuk bestaat uit allerlei korte stukjes: columns, miniatuurlevensbeschrijvingen van wiskundigen die op een bizarre manier om het leven gekomen zijn, puzzeltjes en raadsels, tips om een sinaasappel op een heel ingewikkelde manier te schillen en nog veel meer.

Het voornaamste effect dat een en ander heeft op de lezer is: doordat het boek zo bruist geeft het nieuwe energie. Het is niet zo dat je er veel concrete dingen van leert, al pik je her en der wel wat feitjes op en wat weetjes die allicht nog eens te pas komen bij een wak in de conversatie. Maar eerder dan die inhoud leer je iets over een geesteshouding: die van enthousiasme, je niet laten weerhouden door wat moeilijkheden om beter door te dringen in ingewikkelde materie die uiteindelijk heel mooi kan zijn.

Ik heb ook heus wel wat te klagen, maar dat gaat over details. Ik vind het bijvoorbeeld jammer dat de wiskundemeisjes zich hebben laten leiden door twee ijzeren, maar volgens mij onnodige, regels in de populaire wiskunde: (i) zo weinig mogelijk formules gebruiken en als je dat toch doet, je daar dan uitgebreid voor verontschuldigen, en (ii) zinspelen op het feit dat wiskundigen de reputatie hebben van een nerd. Wat betreft het eerste: het zijn heus niet de formules die ons lezers afschrikken, het is de onduidelijke uitleg die daar vaak van gegeven wordt (en daar is in dit boek geen sprake van).

En wat betreft het tweede: ik geloof helemaal niet dat de gemiddelde lezer van een boek als dit nu echt denkt dat alle wiskundigen per definitie nerds zijn. Ikzelf heb dat beeld in ieder geval helemaal niet: voor mij kan een wiskundige net zo goed een leuke, vrolijke, enthousiaste, slimme vrouw zijn. Zo iemand als ik dus.

Geen opmerkingen: