Doorgaan naar hoofdcontent

Enzo Bianchi. Perché avete paura? Una lettura del vangelo di Marco. Milano: Mondadori, 2011.

Enzo Bianchi is volgens Wikipedia, iemand die een christelijk leven voorstaat "dat gestoeld is op het luisteren naar Gods Woord". Uit dit boek, dat voor een groot deel bestaat uit een vertaling van het evangelie van Marcus en verder uit een uitgebreide inleiding, blijkt dat hij daarmee onder andere bedoelt: de bijbel lezen als een verzameling verhalen.
Het evangelie van Marcus is een wat vreemd, moeilijk doordringbaar verhaal als je het in deze editie leest. Het begint met een groot aantal wonderen die de de moderne lezer (mij in ieder geval) weinig zeggen. Sommige ervan zijn zelfs heel duidelijk het materiaal waar sprookjes van gemaakt zijn: het verhaal waar Jezus een vijgenboom vervloekt omdat deze geen vruchten geeft en de boom veroordeelt tot nooit meer vruchten geven.
Net als in dat verhaal doet Jezus zich ook overigens kennen als iemand die het wel erg belangrijk vindt dat mensen en bómen hem vertroetelen. Liever geschenken aan hem geven dan aan de armen, want zo lang heeft hij niet te leven.
En toch. Wat een interessante man moet het geweest zijn, met zijn keuze om in parabelen te spreken en met zijn boodschap die de hele orde op zijn kop gooide: niet geld en rijkdom en macht zijn belangrijk, maar de kinderen en de armoedzaaiers. En wat ontroerend is zo'n evangelie toch soms in zijn details:

Ook degenen die met hem gekruisigd waren, scholden hem uit.
Ineens zie je de scene voor je, Jezus aan het kruis, door iedereen uitgescholden, zelfs door de twee losers die naast hem hangen en hetzelfde lot ondergaan. Een man die totaal geminacht werd en in wie tegelijk sommige anderen iets heel speciaals hebben gezien — iemand die, wat je er ook verder over denkt, de wereld met zijn blote handen heeft opengebroken.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …