Doorgaan naar hoofdcontent

Jan Timman. Schakers. Portretten. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012

  Vroeger waren schakers mythische personen, in ieder geval voor mij, de laatste prototypische genieën: mannen die enorm diep en ver konden denken en elkaar op die denkkracht alleen bestreden, waarna ze zich overgaven aan drank en tabak en vrouwen. Op een bepaald moment kwam daar ook nog de mythe van de gezusters Polgar bij, vooral de jongste, Judit, die door haar vader zo was opgevoed dat ze ook heel sterk was in het schaken.

Misschien was Judit Polgar wel het begin van het einde van de mythe. Haar vader had immers willen laten zien dat iedereen met de juiste opvoeding grote hoogte kon bereiken: maar zo hoor je geen genieën te kweken. Bovendien was zij de voorbode, in ieder geval voor mij, als outsider, van een nieuwere, sportievere kant op het schaken, dat studeren betekende.

En nu komt Jan Timman, schaakbord van mijn jeugd, de man die wereldkampioen zou worden en toen hij dat niet werd in ieder geval 'the best of the west' was, een man met lang haar, in Amsterdam, die nu een boek schrijft met portretten, waarin hij de mythe helemaal in stukken slaat.

Want de tien grootmeesters die Timman in dit boek portretteert zijn toch vooral gewone mensen. Zelfs Bobby Fischer, de grootste mythologische figuur uit de geschiedenis van het schaken, blijkt vooral een briljante schaker die later aan allerlei wanen lijdt, en antisemitisch wordt. Timman heeft ze allemaal gekend en beschrijft ze vooral in de alledaagse omgang van schakers onder elkaar.

Wonderlijk is dat Timman in zijn portretten regelmatig melding maakt van dromen die hij ooit over de desbetreffende persoon heeft gehad. Hij meent kennelijk dat zo'n droom ook echt iets over de persoon zegt. Dat is in ieder geval tekenend: deze portretten zijn vooral memoires van Timman zelf. Aan de hand van zijn oudere en jongere collega's vertelt hij uiteindelijk vooral iets over zijn eigen leven: niet dat van een genie, wel van een interessante tijdgenoot.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …