Doorgaan naar hoofdcontent

Ray Monk. Ludwig Wittgenstein. The Duty of Genius. London: Vintage, 2011 (1991).

Bertrand Russell vond dat zijn voormalige protégé Ludwig Wittgenstein zich het na het schrijven van zijn Tractatus logico-filosoficus maar gemakkelijk maakte. Wittgenstein begon gaandeweg steeds meer filosofische vraagstukken op te lossen door ze onzinnig te verklare. 'Wat is tijd?', bijvoorbeeld, is een vraag die gebaseerd is op een grammaticafout: je kunt zulke dingen helemaal niet vragen, je moet accepteren dat de tijd er is.

Lekker makkelijk, dacht Russell, want die 'onmogelijke' vraag blijft toch maar lekker hangen.

Dat Wittgenstein het zich bepaald niet gemakkelijk maakte, blijkt wel uit deze biografie. Wat een gekweld en getourmenteerd leven had die man af en toe, wat was het denken een worsteling voor hem en het leven ook, en wat nam hij beide toch vreselijk serieus. Monk leidt de lezer in in leven en denken van de grote filosoof — en laat zien dat die twee met elkaar verbonden zijn, dat je het ene niet kunt begrijpen zonder het andere. Waarover Wittgenstein in zijn werk niet kon spreken, dat probeerde hij te tonen in zijn leven.

Overigens vond Wittgenstein dat Russell het zich omgekeerd ook te gemakkelijk maakte, met zijn populair-wetenschappelijke boeken. Tegelijkertijd bleven de twee mannen elkaar steeds trouw — ze bleven contact houden, en Russell bleef aanbevelingsbrieven voor Wittgenstein schrijven. (Je krijgt niet de indruk dat W. zelf zoiets weleens deed, maar hij raadde zijn beste studenten toch al bij voorkeur aan om geen beroepswijsgeer te worden, maar iets anders te gaan doen. Zoals hij zelf ook toen hij al dik vijftig was nog serieus overwoog om arts te worden.)

Het fijne van Wittgensteins biografie is dat de man ook zoveel interessante tijdgenoten is tegengekomen. Twee intellectuele helden, Alan Turing en Karl Popper, waren bijvoorbeeld ooit zijn tegenstander — ach, dat je zo'n discussie zou hebben mogen meemaken!

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…