Doorgaan naar hoofdcontent

Jonathan Gottschall. The storytelling animal. Houghton Mifflin Harcourt, 2012

We leven in een wereld van verhalen, en die gaan nooit meer weg. Dat is de boodschap van Jonathan Gotschall in zijn boek The storytelling animal. Volgens Gottschall heeft de mens een aangeboren neiging tot het maken van verhalen. We lezen romans, kijken naar films, we dromen, we vertellen het verhaal van ons leven, we vertellen het verhaal van het ontstaan van de aarde. Er bestaat geen cultuur die geen verhalen vertelt, zegt Gottschall, dus moeten onze gemeenschappelijke voorouders ook al verhalen verteld hebben, dus zit het ergens in ons genetisch pakket.

Dat verhaal vind ik niet zo interessant. Ach ja, het zal wel zo zijn - maar het zal allemaal ook vast ingewikkelder zijn: die verhalen zouden weleens uit een samenspel van allerlei andere genen kunnen ontstaan, waarbij ieder van die genen andere functies hebben. Toch is Gottschalls wel een aardig boek; niet te ingewikkeld, maar met een aardig, ahem, verhaal over de mens en het verhaal.

Ik was bijvoorbeeld wel onder de indruk van de enorme catalogus van verhalen die Gottschall maakt. Ze zijn echt overal, niet alleen in de bronnen die ik hierboven al noemde, maar ook in reclame (bijna iedere tv-advertentie vertelt een verhaaltje), in onze herinneringen (die vaak al te gemakkelijk vervormd worden tot een verhaal), in de geschiedenisverhalen die we vertellen.

Ook geeft Gottschall een aardig overzicht van de verschillende functies die fictie kan hebben: het helpt ons te oefenen om problemen op te lossen (want verhalen en dromen gaan altijd over problemen), het helpt ons om de moraal van onze sociale groep op te slorpen, het helpt ons om structuur te geven aan het leven.

Sommige functies heeft fictie overigens niet: ontsnappen aan de werkelijkheid bijvoorbeeld. Wanneer dat de bedoeling zou zijn, zegt Gottschall, zouden we verwachten dat verhalen ons een prettiger wereld voorspiegelen dan die waarin we leven. Verhalen zouden gaan over mensen die op ons lijken en met wie alles de hele tijd alleen maar goed gaat. Maar zo zijn verhalen niet, integendeel: verhalen hebben problemen nodig. Net als dromen trouwens (wanneer we zeggen dat iets 'een droom' is, begrijpen we dus niet hoe naar de meeste dromen zijn.)

Ja, verhalen zijn overal om ons heen, en ze maken ons tot mens. Het lijkt me een interessant onderzoeksterrein, ik hoop dat het tot grote bloei zal komen.

Reacties

ijsbrand zei…
Eén van de verborgen thema's achter mijn boeklog is een permanent onderzoek naar de vraag wat het betekent dat wij zo in verhalen denken.

Want dat we al gauw logische verbanden vinden tussen oorzaken en gevolgen maakt bijvoorbeeld blind voor risico's en kansberekening -- die zijn te gauw tegenintuïtief.

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …