Doorgaan naar hoofdcontent

Salman Rushdie. Joseph Anton. A Memoir. New York: Random House, 2012

Salman Rushdie is geen aardige man. Er waren momenten dat ik zijn boek Joseph Anton, dat gaat over de periode dat hij zich verschool voor de fatwa, geërgerd terzijde wilde leggen. Vooral al het gescheld op zijn ex-vrouw – de Amerikaanse schrijfster Marianne, met wie hij was toen de fatwa werd uitgesproken – stuitte enorm tegen de borst. Moeten wij dat echt weten, hoe gek ze was volgens hem, en dat ze foto's van hem gestolen heeft, en dat er ooit een stuk over hun relatie in Esquire heeft gestaan over hun relatie dat iets te veel haar kant van de zaak belichtte, zodat Salman zeker weet dat zij het die journalist heeft ingefluisterd, wat het valse kreng natuurlijk ontkent?

Over zijn andere vrouwen is hij iets minder vals, al worden we ook daar ingelicht over allerlei wissewasjes – zoals we zelfs over Salmans zoon te horen krijgen dat hij als tiener ooit 100 pond gestolen hebben.

Je leest het ook regelmatig in het boek – dat mensen het moeilijker vonden om Rushdie te beschermen omdat ze hem onsympathiek vonden. (Rushdie merkt op dat mensen die hem persoonlijk leren kennen een veel positiever beeld van hem hebben; maar de meeste lezers leren hem natuurlijk ook niet persoonlijk kennen.) En je ziet het zelfs in besprekingen, zoals de inmiddels beroemd geworden recensie van Zoë Heller in de New York Times, die vooral een aanval is op de persoon van Rushdie.

Gaandeweg begon me dat toch wel te fascineren. Voorop staat natuurlijk dat het niet uit moet maken of iemand aardig is of niet – iedereen heeft het recht om te zeggen wat hij wil, niemand heeft het recht om iemand met de dood te bedreigen alleen maar omdat de ander zo'n onsympathieke kerel lijkt. Maar hoe werkt zoiets psychologisch; hoe kan iemand er mee leven dat iedereen altijd maar tegen hem is? Hem dood wil, het niet zo erg lijkt te vinden dat men hem dood wil, of op zijn best een boek recenseert over de periode dat men hem dood wilde dat er vooral over gaat hoe onsympathiek jij bent?

In Joseph Anton vertelt hij dat hij één keer door de knieën ging, toen hij, begin jaren negentig, op aandrang van wat geestelijken naar buiten bracht dat hij zich 'bekeerd' zou hebben tot de Islam. Hij hoopte op die manier een einde te maken aan de dreiging, wat niet gebeurde, maar volgens zijn eigen analyse nu deed hij teveel zijn best om aardig gevonden te worden. Er zijn genoeg mensen die hem niet aardig vonden, besloot hij, en hij vond de meeste van die mensen per slot van rekening óók niet aardig.

Wat ik jammer vind, aan Joseph Anton, is dat het niet zo diep op dit soort psychologische kwesties ingaat. Rushdie lijkt sowieso niet erg veel van zichzelf te begrijpen (acht jaar lang heeft hij een affaire gehad met het fotomodel Padma Lakshmi, voor wie hij zijn vorige vrouw verliet, terwijl je het idee krijgt dat hij eigenlijk nog van die vorige vrouw houdt; hoe dat allemaal zit, daar gaat hij niet op door). Het boek is vooral een eindeloos verslag van allerlei problemen met politie-agenten, de Britse en Amerikaanse overheid, laffe en dappere uitgevers, collega-schrijvers die hem bijstaan of juist verketteren, enzovoort. Zeker door de tweede helft ben ik af en toe versneld heen gegaan omdat ik niet per se al die details hoefde te weten.

Ik had vooral graag meer over de onsympathieke hoofdpersoon geleerd – maar die verstopt zich in deze vele honderden pagina's eigenlijk nog steeds.

Reacties

hadebee zei…
Merkwaardig, ik twijfelde na een paar honderd bladzijden ook of ik van dat geteut over die vrouwen en politie-agenten nou wel wat wijzer werd. Ik heb het wel uitgelezen - een krant gooi je ook niet weg omdat de voorpagina je niet bevalt. Maar wijzer? Nee, althans niet m.b.t. de zielenroerselen van Joe Anton.
Overigens vermoed ik dat A Memoir één van de weinige boeken van Rushdie is die wél tot de laatste bladzijde gelezen worden.

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …