Doorgaan naar hoofdcontent

Willem Frederik Hermans. Boze brieven van Bijkaart. De Bezige Bij, 2011 (1977).

Midden jaren zeventig verhuisde Willem Frederik Hermans van Groningen, waar hij jarenlang lector in de geologie was geweest, naar Parijs. Hij schreef er een serie columns voor Het Parool onder het pseudoniem Age Bijkaart.

Waarom hij dat pseudoniem precies gebruikte? Ik heb geen idee. Hermans deed niet erg zijn best om te verhullen wie die stukjes precies schreef. Bijkaart had het de hele tijd over 'mijn vriend Willem Frederik Hermans' en beschikte daarbij over zoveel intieme informatie over die vriend, met wie hij bovendien de woonplaats en alles, alles leek te delen, dat ik niet aanneem dat er ooit iemand is geweest die dacht dat Age Bijkaart iemand anders was.

De titel Boze brieven is bovendien ook enigszins misplaatst, want behalve in de eerste paar brieven is er van boosheid niet zoveel sprake. Gelukkig maar, want de brieven over kwesties waarover Bijkaart zich wél opwond, zijn nu niet meteen de interessantste, of aantrekkelijkste. Het gaat dan vooral om 'socialisten' die allerlei dingen deden die Bijkaart niet aanstonden: voorstellen om studieplaatsen aan de universiteit bij loting aan te wijzen, of meedoen aan de verkiezingen in Zweden, bijvoorbeeld.

Het zijn kwesties die hun actualiteit inmiddels verloren hebben en bovendien laat Bijkaart ook zien hoe bekrompen polemisten vaak, misschien wel noodgedwongen, zijn. Voor een goede polemiek moet de wereld overzichtelijk worden ingedeeld in slimme en goede mensen aan de ene kant en domme en slechte aan de andere. Voor Hermans hoorden de 'socialisten' tot de latere categorie. Het genoegen dat hij daaraan beleefde (en ongetwijfeld aan het gevoel dat hij daarmee mensen tegen de schenen schopte) is 35 jaar later niet goed meer na te voelen.

Ook verder blijkt hij af en toe achterhaald. Er staat bijvoorbeeld een stuk over Turing in waaruit blijkt dat de grote natuurwetenschapper Hermans eigenlijk maar weinig over Turing wist. Hij maakt bijvoorbeeld een wat rauwe sneer over de 'zelfmoord' van Turing (en lijkt niets te hebben geweten over de dubieuze achtergrond van die zelfmoord) en denkt oprecht dat Turing in de Tweede Wereldoorlog een apparaat had uitgevonden, de Turing-machine, die de geheime codes van de Duitse Enigma-machine ontcijferde. Daarmee gooit hij een aantal dingen door elkaar: die Turing-machine was geen echte machine, maar een mathematisch object (de ideale computer), en hoewel Turing deel uitmaakte van een team dat inderdaad de Enigma-codes ontcijferde, speelde de Turing-machine daarin geen rechtstreekse rol.

Het mooist is Bijkaart wanneer hij lyrisch durft te zijn – over fotografie, bijvoorbeeld, of over Parijs op dagen wanneer iedereen er weg is. Dan blijkt ineens zijn grote talent, zoals je dat ook in zijn romans ziet.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …